Uitspraak
gevestigd in [vestigingsplaats],
zetelende in Curaçao,
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
24 april 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een bodembeslag gelegd door de Ontvanger van Curaçao op een pand waarvan de eigendom toebehoort aan [eiseres], maar het beslag is gelegd ten laste van [A] B.V. Het geschil draait om de vraag of het gehele pand als bodem van de belastingschuldige [A] kan worden aangemerkt, waarbij het hof oordeelde dat het pand feitelijk in gebruik was bij [A] en dat [A] onafhankelijk over het pand kon beschikken.
De Hoge Raad stelt vast dat het hof onvoldoende is ingegaan op de stellingen van [eiseres] dat het gebruik van het pand beperkt was tot een eigen kamer van de bestuurder van [A], dat de toegang tot het pand afhankelijk was van [eiseres], en dat de kosten voor gas, licht en elektra door [eiseres] werden betaald. Hierdoor is het oordeel van het hof onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden door te concluderen dat de reële eigendom van [eiseres] niet hoeft te worden ontzien omdat er sprake zou zijn van reële mede-eigendom van [A], terwijl deze grond niet door partijen was aangevoerd.
De Hoge Raad vernietigt het vonnis van het hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling en beslissing, waarbij de Ontvanger wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: Het arrest vernietigt het vonnis van het hof en verwijst de zaak terug voor nadere behandeling.