ECLI:NL:HR:2020:864

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 mei 2020
Publicatiedatum
11 mei 2020
Zaaknummer
18/04396
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2010

Belanghebbende was in hoger beroep gegaan tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant over een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2010, inclusief de daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente. Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft deze uitspraak bevestigd. Vervolgens heeft belanghebbende beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad heeft de ingebrachte middelen van belanghebbende beoordeeld maar geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van het Hof. Omdat de beoordeling van deze middelen geen vragen betreft die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, is geen nadere motivering gegeven.

De Hoge Raad heeft voorts geen aanleiding gezien om proceskosten aan belanghebbende toe te kennen en heeft het beroep in cassatie ongegrond verklaard. Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2020.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van het Gerechtshof blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer18/04396
Datum15 mei 2020
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 6 september 2018, nr. 17/00690, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 16/5073) betreffende de aan belanghebbende over het jaar 2010 opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelastingbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld.
De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

De Hoge Raad heeft de middelen over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze middelen niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze middelen is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2020.