Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
2 juni 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van de verdachte tegen het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 21 februari 2019. De verdachte werd veroordeeld voor het voorhanden hebben van een creditcardmes op Eindhoven Airport, in strijd met artikel 13.1 van de Wet wapens en munitie (WWM).
De verdediging voerde onder meer een beroep in op artikel 7 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), en stelde dat het creditcardmes niet als een wapen moest worden aangemerkt omdat het uiterlijk leek op een ander voorwerp dan een wapen, zoals bedoeld in artikel 2.1.4 WWM.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep beoordeeld en geoordeeld dat de klachten niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om inhoudelijk op de rechtsvragen in te gaan, omdat deze niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het beroep werd derhalve verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor het voorhanden hebben van een creditcardmes.