ECLI:NL:HR:2020:9

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 januari 2020
Publicatiedatum
7 januari 2020
Zaaknummer
18/04306
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.C OpiumwetArt. 33a SrArt. 3a OpiumwetArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing verbeurdverklaring geldbedrag bij drugshandel

De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van een verdachte die op 7 oktober 2015 werd betrapt met een aanzienlijke hoeveelheid harddrugs in Heerlen. Het hof had het geldbedrag van €1.055,- verbeurd verklaard op basis van aanwijzingen dat dit geld met drugshandel was verdiend. Een getuige verklaarde bovendien dat zij vaker drugs bij de verdachte had gekocht.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd op welke grond(en) uit art. 33a, eerste lid, Sr het geld verbeurd verklaard kon worden. Volgens de Hoge Raad moet het bewezenverklaarde feit centraal staan bij de toepassing van verbeurdverklaring, en moet duidelijk zijn op welke specifieke grond het voorwerp vatbaar is.

Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de verbeurdverklaring van het geldbedrag en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling. Het beroep werd voor het overige verworpen. De uitspraak benadrukt het belang van een deugdelijke motivering bij verbeurdverklaring en de strikte toepassing van de wettelijke gronden.

Uitkomst: De verbeurdverklaring van €1.055 werd vernietigd en de zaak terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer18/04306
Datum7 januari 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 7 maart 2018, nummer 20/003110-16, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de verdachte.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.Y. Taekema, advocaat te ’s-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het eerste middel

2.1
Het middel klaagt over de verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen geldbedrag van € 1.055,-.
2.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:
“op 7 oktober 2015 in de gemeente Heerlen opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2,3 gram en 83,85 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en ongeveer 4,5 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.”
2.3
Het Hof heeft het vonnis van de Politierechter bevestigd met aanvulling van gronden. De Politierechter heeft ten aanzien van de verbeurdverklaring het volgende overwogen:
“Voor wat betreft het inbeslaggenomen geld, ontbreekt enige onderbouwing voor de stelling dat (een gedeelte van) het geld van verdachte zelf is. Er zijn echter wel aanwijzingen dat het geld verdiend is met drugshandel, gelet op het feit dat verdachte een grote hoeveelheid harddrugs bij zich had en een getuige verklaart dat zij al vaker drugs heeft gekocht bij verdachte. Derhalve is er geen reden (een deel van) het geld aan verdachte terug te geven, maar zal het volledige bedrag verbeurd worden verklaard.”
De politierechter legt op:
(...)
Verbeurdverklaring van het volgende inbeslaggenomene:
(...)
1055,- euro”.
2.4
Art. 33a, eerste lid, Sr luidt:
“Vatbaar voor verbeurdverklaring zijn:
a. voorwerpen die aan de veroordeelde toebehoren of die hij geheel of ten dele ten eigen bate kan aanwenden en die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het strafbare feit zijn verkregen;
b. voorwerpen met betrekking tot welke het feit is begaan;
c. voorwerpen met behulp van welke het feit is begaan of voorbereid;
d. voorwerpen met behulp van welke de opsporing van het misdrijf is belemmerd;
e. voorwerpen die tot het begaan van het misdrijf zijn vervaardigd of bestemd;
f. zakelijke rechten op of persoonlijke rechten ten aanzien van de onder a tot en met e bedoelde voorwerpen.”
2.5
Het Hof heeft geoordeeld dat er aanwijzingen zijn dat “het geld is verdiend met drugshandel, gelet op het feit dat verdachte een grote hoeveelheid harddrugs bij zich had en een getuige verklaart dat zij al vaker drugs heeft gekocht bij verdachte”. Het Hof heeft in het midden gelaten op welke in art. 33a, eerste lid, Sr genoemde grond of gronden het geldbedrag van € 1.055,- voor verbeurdverklaring vatbaar is. Mede gelet daarop heeft het Hof de beslissing tot verbeurdverklaring van voormeld geldbedrag ontoereikend gemotiveerd. Opmerking verdient daarbij dat onder ‘het strafbare feit’, ‘het feit’ en ‘het misdrijf’ in art. 33a, eerste lid, Sr telkens het bewezenverklaarde feit moet worden verstaan, zodat in een geval als het onderhavige voor verbeurdverklaring is vereist dat één van de in art. 33a, eerste lid, Sr genoemde gronden zich voordoet ten aanzien van het bewezenverklaarde aanwezig hebben van verdovende middelen.
2.6
Het middel slaagt.

3.Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de verbeurdverklaring van voormeld geldbedrag van € 1.055,-;
- wijst de zaak terug naar het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
7 januari 2020.