Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
7 januari 2020.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van een verdachte die op 7 oktober 2015 werd betrapt met een aanzienlijke hoeveelheid harddrugs in Heerlen. Het hof had het geldbedrag van €1.055,- verbeurd verklaard op basis van aanwijzingen dat dit geld met drugshandel was verdiend. Een getuige verklaarde bovendien dat zij vaker drugs bij de verdachte had gekocht.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd op welke grond(en) uit art. 33a, eerste lid, Sr het geld verbeurd verklaard kon worden. Volgens de Hoge Raad moet het bewezenverklaarde feit centraal staan bij de toepassing van verbeurdverklaring, en moet duidelijk zijn op welke specifieke grond het voorwerp vatbaar is.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de verbeurdverklaring van het geldbedrag en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling. Het beroep werd voor het overige verworpen. De uitspraak benadrukt het belang van een deugdelijke motivering bij verbeurdverklaring en de strikte toepassing van de wettelijke gronden.
Uitkomst: De verbeurdverklaring van €1.055 werd vernietigd en de zaak terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.