ECLI:NL:HR:2020:90

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 januari 2020
Publicatiedatum
20 januari 2020
Zaaknummer
18/02254
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 1 EVRMArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 287 SvArt. 288 SvArt. 322 lid 4 Sv
Verwijzingen
7 uitgaand · 6 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vermindert gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in cassatie

De verdachte stelde cassatieberoep in tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het hof had in een tussenarrest van 14 augustus 2017 beslist dat bepaalde getuigenverzoeken moesten worden beoordeeld op basis van het noodzaakcriterium, omdat het appelschrift niet tijdig was ontvangen. In de einduitspraak van 9 mei 2018 werden deze beslissingen herbeoordeeld onder een andere maatstaf, waarbij het appelschrift wel als tijdig werd beschouwd.

De Hoge Raad oordeelt dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk is voor zover het zich richt tegen het tussenarrest, omdat de bestreden einduitspraak niet mede op dat tussenarrest berust. De overige klachten tegen het hof worden verworpen zonder nadere motivering, omdat deze niet relevant zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.

Daarnaast constateert de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro is overschreden, aangezien meer dan zestien maanden zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidt tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van acht jaar naar zeven jaar en zeven maanden. De Hoge Raad vernietigt daarom de strafoplegging en vermindert de straf dienovereenkomstig, terwijl het beroep voor het overige wordt verworpen.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van acht jaar naar zeven jaar en zeven maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn, terwijl het cassatieberoep voor het tussenarrest niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer18/02254
Datum21 januari 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 9 mei 2018, nummer 21/001963-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De plaatsvervangend advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de verdachte in zijn beroep voorzover dat is gericht tegen het tussenarrest van het hof van 14 augustus 2017, tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

Op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de plaatsvervangend advocaat-generaal onder 3 kan de Hoge Raad het cassatieberoep van de verdachte niet in behandeling nemen voor zover dit is gericht tegen het tussenarrest van het hof van 14 augustus 2017, omdat de bestreden einduitspraak niet mede berust op de beslissingen in dit tussenarrest. Het eerste middel moet daarom onbesproken blijven.

3.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

4.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van acht jaren.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover dit is gericht tegen het tussenarrest van het hof van 14 augustus 2017;
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze zeven jaren en zeven maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
21 januari 2020.