Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
2 juni 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin de verdachte werd veroordeeld voor rijden onder invloed als recidiverende beginnend bestuurder van een snorfiets. De verdachte stelde onder meer dat de toepassing van de recidiveregeling van artikel 123b van de Wegenverkeerswet 1994 in strijd was met artikel 6 en Pro 7 EVRM en de beginselen van behoorlijke procesorde.
De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad hoefde geen inhoudelijke motivering te geven vanwege het toepasselijke artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Daarnaast oordeelde de Hoge Raad ambtshalve dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden, maar dat dit geen rechtsgevolgen heeft gezien de relatief lichte opgelegde straf en de mate van termijnoverschrijding.
Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee het arrest van het gerechtshof Amsterdam in stand bleef.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling met toepassing van de recidiveregeling blijft in stand.