ECLI:NL:HR:2020:927

Hoge Raad

Datum uitspraak
29 mei 2020
Publicatiedatum
25 mei 2020
Zaaknummer
19/05105
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens niet betaling griffierecht

Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen uitspraken van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant over naheffingsaanslagen omzetbelasting over meerdere jaren. De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brieven gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en een termijn gesteld voor betaling. Ondanks ontvangst van deze brieven heeft belanghebbende het griffierecht niet voldaan en geen tijdige reactie gegeven op de verzoeken om opheldering.

De Hoge Raad heeft daardoor het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 8:41, lid 6, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Er is geen aanleiding gezien om belanghebbende te veroordelen in de proceskosten.

Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2020. Hiermee is het cassatieberoep definitief afgewezen zonder inhoudelijke behandeling van de zaak.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet betaling van het griffierecht.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer19/05105
Datum29 mei 2020
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 20 september 2019, nrs. BRE 16/3636 tot en met 16/3638, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank betreffende aan belanghebbende over de periode 1 januari 2011 tot en met 31 december 2012 en over de periode 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014 opgelegde naheffingsaanslagen in de omzetbelasting.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 23 januari 2020 gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en voor de betaling daarvan een termijn van vier weken gesteld. Deze brief is volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL afgeleverd op het door belanghebbende opgegeven adres. Het griffierecht is niet voldaan.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 25 februari 2020 in de gelegenheid gesteld binnen vier weken na de dagtekening van deze brief mee te delen waarom het griffierecht niet tijdig is betaald. Die termijn eindigde op 24 maart 2020. Deze brief is volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL afgeleverd op het door belanghebbende opgegeven adres. Belanghebbende heeft van de hem in de brief van 25 februari 2020 geboden gelegenheid niet tijdig gebruikgemaakt. De op 31 maart 2020 bij de Hoge Raad ingekomen brief wordt als te laat ingekomen buiten beschouwing gelaten.
Het beroep in cassatie moet daarom op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2020.