Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
21 januari 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 26 juni 2018, waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van opzettelijke vrijheidsberoving. Het cassatieberoep richtte zich onder meer op de afwijzing van een getuigenverzoek en het gebruik van een getuigenverklaring ondanks het ontbreken van ondervraging van die getuige, met een beroep op artikel 6 lid 3 sub d EVRM Pro.
De Hoge Raad heeft de ingebrachte klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de gronden van zijn oordeel nader te motiveren, omdat de klachten niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Het arrest is gewezen door de vice-president van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Buruma en van Strien, en uitgesproken in openbare terechtzitting op 21 januari 2020. Het beroep is verworpen, waarmee het hofarrest in stand blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden blijft in stand.