ECLI:NL:HR:2020:992
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Niet-orthopedisch schoeisel valt onder extra uitgaven voor kleding en beddengoed
Belanghebbende had in haar aangifte inkomstenbelasting 2013 extra kosten voor kleding en beddengoed opgevoerd, waaronder ook uitgaven voor schoeisel. Het Hof 's-Hertogenbosch oordeelde dat alleen orthopedisch schoeisel als aftrekpost geldt en wees de extra kosten voor niet-orthopedisch schoeisel af.
De Hoge Raad stelde dat het oordeel van het Hof berustte op een onjuiste rechtsopvatting. Niet-orthopedisch schoeisel kan wel degelijk onder het begrip 'kleding' vallen zoals bedoeld in artikel 6.17, lid 1, aanhef en letter g, Wet IB 2001. Hierdoor kon het arrest van het Hof niet in stand blijven.
De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie gegrond, vernietigde het arrest van het Hof en verwees de zaak naar het Gerechtshof Arnhem/Leeuwarden voor verdere behandeling met inachtneming van dit arrest. Tevens werd de Staatssecretaris van Financiën veroordeeld in de proceskosten van het cassatieberoep.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak terug met de uitleg dat niet-orthopedisch schoeisel onder extra uitgaven voor kleding en beddengoed kan vallen.