Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
(...)
3.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
4.Beslissing
12 januari 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel werd opgelegd aan de betrokkene, een oud-notaris, in verband met medeplegen van witwassen en passieve ambtelijke omkoping. Het hof had het voordeel geschat op €357.355 en daarbij geen rekening gehouden met vennootschapsbelasting die door de B.V. van de betrokkene was betaald, conform het fiscale mechanisme dat belastingheffing buiten beschouwing laat bij ontneming.
Namens de betrokkene werd aangevoerd dat het voordeel niet direct bij hem als natuurlijk persoon viel, maar bij zijn B.V., die vennootschapsbelasting heeft betaald. Hierdoor zou het hof onterecht geen rekening hebben gehouden met de belastingheffing, waardoor de betrokkene mogelijk zwaarder werd getroffen dan het daadwerkelijke voordeel dat hij heeft genoten.
De Hoge Raad herhaalt de relevante overwegingen uit eerdere jurisprudentie (ECLI:NL:HR:1998:ZD0947) over het fiscale mechanisme, maar stelt dat dit mechanisme uitgaat van belastingheffing bij de betrokkene zelf. Nu de belastingheffing door de B.V. is voldaan, is het oordeel van het hof zonder nadere motivering onbegrijpelijk. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het hof Amsterdam voor hernieuwde berechting.
De overige cassatiemiddelen worden verworpen zonder nadere motivering. De uitspraak is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 12 januari 2021.
Uitkomst: Het arrest van het hof Amsterdam wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting waarbij rekening wordt gehouden met de vennootschapsbelasting van de B.V.