Uitspraak
wonende te [woonplaats],
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
25 juni 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een beschikking van de rechtbank Noord-Nederland waarin een zorgmachtiging werd verleend voor meerdere vormen van verplichte zorg, waaronder een beperking in de vrijheid van het eigen leven inrichten, met name het gebruik van communicatiemiddelen. De officier van justitie had deze specifieke vorm van zorg niet verzocht.
Tijdens de mondelinge behandeling waren betrokkene, zijn advocaat, een behandelend psychiater en de waarnemend curator gehoord, maar de officier van justitie was afwezig. De psychiater adviseerde om de beperking in vrijheid, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen, op te nemen in de machtiging vanwege toekomstige uitplaatsing en ambulante begeleiding. De advocaat betoogde dat een dergelijke toevoeging zonder nieuw verzoek niet mogelijk is en vroeg om een kortere termijn voor de machtiging.
De rechtbank besloot echter deze vorm van verplichte zorg toe te voegen op grond van artikel 6:4 lid 2 Wvggz Pro, ondanks het ontbreken van een verzoek van de officier van justitie. De Hoge Raad oordeelde dat dit in strijd is met eerdere jurisprudentie (HR 29 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:158) en vernietigde de beschikking voor zover deze de ongevraagde zorgvorm betrof.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de zorgmachtiging voor de ongevraagde vorm van verplichte zorg die beperkingen aanbrengt in de vrijheid van het eigen leven inrichten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen.