ECLI:NL:HR:2021:1021

Hoge Raad

Datum uitspraak
29 juni 2021
Publicatiedatum
25 juni 2021
Zaaknummer
20/02298
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 247 SrArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep in zedenzaak omtrent ontuchtige handeling

In deze zaak heeft de verdachte, een leraar, cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin hij werd veroordeeld voor een ontuchtige handeling op grond van artikel 247 Sr Pro. De handeling betrof een situatie waarbij de verdachte dicht achter een leerlinge stond tijdens een strijkopdracht, hetgeen aanleiding gaf tot discussie over de seksuele intentie.

De advocaat van de verdachte heeft meerdere cassatiemiddelen ingediend, waaronder klachten over de interpretatie van de seksuele intentie van de verdachte. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep, waarop de raadsman schriftelijk heeft gereageerd.

De Hoge Raad heeft de klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad heeft daarbij geen nadere motivering gegeven, omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

Het arrest is uitgesproken op 29 juni 2021 door de vice-president en twee raadsheren van de Strafkamer van de Hoge Raad, waarna het cassatieberoep is verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof wordt bevestigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer20/02298
Datum29 juni 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 20 juli 2020, nummer 20-000382-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft I.T.H.L. van de Bergh, advocaat te Maastricht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
29 juni 2021.