Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.Bewezenverklaring en bewijsoverweging
3.De aanvraag tot herziening
4.Beoordeling van de aanvraag
5.Beslissing
6 juli 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een aanvraag tot herziening van een vonnis van de rechtbank Rotterdam uit 2016, waarin de aanvrager werd veroordeeld voor feitelijke leiding geven aan het gebruik van valse verwijskaarten bij zorgverzekeraars. De aanvrager stelde dat vier van de als vals aangemerkte verwijskaarten niet bestemd waren tot bewijs van enig feit, waardoor sprake zou zijn van een nieuw gegeven (novum) dat tot herziening zou moeten leiden.
De rechtbank had vastgesteld dat de verwijskaarten vals waren omdat zij onterecht vermeldden dat patiënten waren gezien door artsen die in werkelijkheid niet geraadpleegd waren. Deze kaarten werden gebruikt om declaraties bij zorgverzekeraars te rechtvaardigen. De Hoge Raad overwoog dat de beoordeling of een geschrift bestemd is tot bewijs van enig feit een taak is van de strafrechter en dat de aangevoerde documenten niet het ernstige vermoeden wekken dat het onderzoek tot vrijspraak had geleid.
Verder benadrukte de Hoge Raad dat een onjuiste toepassing van het recht geen grond tot herziening vormt. Gezien deze overwegingen werd de aanvraag tot herziening als kennelijk ongegrond afgewezen. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 6 juli 2021.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af en bevestigt de veroordeling voor feitelijke leiding geven aan het gebruik van valse verwijskaarten.