ECLI:NL:HR:2021:1051

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 juli 2021
Publicatiedatum
1 juli 2021
Zaaknummer
20/02486
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 311.1 SrArt. 33a.1.c SrArt. 81.1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt oordeel hof over medeplegen woninginbraak en verbeurdverklaring auto

In deze strafzaak stond de vraag centraal of de verdachte medepleger was van een woninginbraak en of de auto die bij het delict werd gebruikt, kon worden verbeurdverklaard als een voorwerp dat is gebruikt bij het plegen of voorbereiden van het misdrijf. De verdachte was door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor medeplegen van woninginbraak. Hij stelde in cassatie onder meer dat het aantreffen van een deel van de buit en zijn aanwezigheid in de buurt onvoldoende bewijs vormden voor medeplegen. Ook betwistte hij de verbeurdverklaring van de auto.

De Hoge Raad heeft de klachten van de verdachte beoordeeld maar geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering van het hof te herzien omdat de klachten niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Daarmee bevestigde de Hoge Raad het oordeel van het hof dat de verdachte medepleger was en dat de auto als hulpmiddel kon worden verbeurdverklaard.

Het arrest werd uitgesproken op 13 juli 2021 door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad. Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee het hofarrest in stand bleef.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden bevestigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer20/02486
Datum13 juli 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 augustus 2020, nummer 21-001410-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M. Berndsen, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
13 juli 2021.