Uitspraak
wonende te [woonplaats], tijdelijk verblijvend te [verblijfplaats],
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
22 januari 2021.
Hoge Raad
In deze zaak stond de toepassing van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) centraal, met name de maximale geldigheidsduur van de machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel en de berekening van de einddatum van een daarop aansluitende zorgmachtiging.
De burgemeester had op 26 mei 2020 een crisismaatregel genomen, waarna de rechtbank op 28 mei 2020 een machtiging tot voortzetting van deze maatregel verleende tot en met 18 juni 2020. De officier van justitie vroeg op 18 juni 2020 een zorgmachtiging aan die aansluit op deze machtiging. De rechtbank verleende op 30 juni 2020 een zorgmachtiging voor zes maanden, ingaand op die dag.
De Hoge Raad oordeelde dat de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel op grond van art. 7:9 Wvggz Pro een geldigheidsduur van drie weken heeft, die door een verzoek tot zorgmachtiging kan worden verlengd tot maximaal zes weken. Betrokkene hoeft niet gehoord te worden bij deze verlenging. De zorgmachtiging kan vervolgens maximaal zes maanden duren en de einddatum wordt berekend exclusief de ingangsdag. De klachten van betrokkene over overschrijding van de termijn en het ontbreken van hoorrecht werden verworpen. Het beroep werd afgewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de maximale geldigheidsduur en verlenging van de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel en de zorgmachtiging.