Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
4.Beoordeling van de aanvraag
5.Beslissing
13 juli 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een herzieningsverzoek tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam uit 1991, waarbij de aanvrager werd veroordeeld voor doodslag op de vader van zijn vriendin in Amsterdam in 1990. De aanvrager stelde dat een nieuw deskundigenrapport over de hoek van de schotrichting een ernstig vermoeden wekte dat het hof hem vrijgesproken zou hebben indien dit rapport destijds bekend was geweest.
De Hoge Raad beoordeelde of het nieuwe gegeven, het rapport van dr. Van de Goot, een ernstig vermoeden wekte dat het onderzoek tot een vrijspraak, ontslag van rechtsvervolging, niet-ontvankelijkheid of toepassing van een minder zware straf zou hebben geleid. Het hof had vastgesteld dat de aanvrager van korte afstand in de richting van het slachtoffer had geschoten, wat niet onverenigbaar was met de in het rapport genoemde mogelijke schotpositie.
Het rapport gaf slechts een voorbeeld van een mogelijke schotpositie en erkende dat andere posities mogelijk waren. De Hoge Raad concludeerde dat het rapport geen nieuwe feiten bevatte die het eerdere oordeel van het hof fundamenteel zouden kunnen veranderen. Daarom werd het herzieningsverzoek afgewezen.
De uitspraak bevestigt het belang van een strikte toets aan de criteria voor herziening, waarbij alleen nieuwe feiten die een ernstig vermoeden van onjuistheid van het eerdere oordeel wekken, tot herziening kunnen leiden.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het herzieningsverzoek af wegens het ontbreken van een ernstig vermoeden dat het hof anders zou hebben geoordeeld.