Art. 13 lid 1 onder a Flora en faunawet (oud)Art. 75 lid 1 Flora en faunawet (oud)Art. 5 lid 1 Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten (oud)Art. 8 Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten (oud)
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad vernietigt arrest over vrijstelling illegale verkoop beschermde bosfazanten
De zaak betreft een economische strafzaak waarin de verdachte werd vervolgd voor het meermalen verkopen van beschermde inheemse bosfazanten in de periode van 20 mei 2010 tot en met 31 augustus 2012. De verdachte voerde in hoger beroep een beroep op vrijstelling op grond van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten (oud). Het hof Arnhem-Leeuwarden verwierp dit beroep omdat volgens het hof de vereiste registratie in de administratie niet had plaatsgevonden, mede gelet op verklaringen van medeverdachte dat geen administratie werd bijgehouden.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof een essentiële rechtsregel heeft miskend. De registratieplicht uit artikel 8 vanPro het Besluit ziet op een administratie die door de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie wordt bijgehouden, en niet op een administratie die door de verdachte zelf moet worden gevoerd. Hierdoor was de motivering van het hof voor de verwerping van het beroep op vrijstelling ontoereikend.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof voor zover het de beslissingen over het eerste feit betreft en wees de zaak terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor hernieuwde berechting. Tevens werd het beroep op vermindering van de geldboete deels toegewezen. De overige cassatiemiddelen werden verworpen. De uitspraak werd gedaan op 13 juli 2021 door de strafkamer van de Hoge Raad.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest wegens onjuiste uitleg registratieplicht en wijst zaak terug voor hernieuwde berechting.
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer19/02592 E
Datum13 juli 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, economische kamer, van 17 mei 2019, nummer 21-003935-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna: de verdachte.
1.Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Volgens de daarvan opgemaakte akten is het beroep niet gericht tegen de vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde. Namens de verdachte heeft J.L.J.M. van de Mortel, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend voor zover het betreft de beslissingen inzake feit 1, en tot terugwijzing naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan. Vervolgens heeft de advocaat-generaal aanvullend geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsman van de verdachte heeft op de conclusie en de aanvullende conclusie schriftelijk gereageerd.
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer over de verwerping door het hof van een beroep op vrijstelling.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:
“zij in de periode van 20 mei 2010 tot en met 31 augustus 2012 in Nederland meermalen, opzettelijk, dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te weten een bosfazant (Phasianus colchicus), heeft verkocht,
- aan [betrokkene 1] en
- aan [betrokkene 2] en
- aan [betrokkene 3] en
- aan [betrokkene 4] en
- aan [betrokkene 5] en
- aan [betrokkene 6] .”
2.2.2
Het hof heeft een beroep op een ontslag van alle rechtsvervolging wegens het bestaan van een vrijstelling als volgt samengevat en verworpen:
“Namens verdachte is een beroep gedaan op de vrijstelling als bedoeld in het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten, hetgeen tot ontslag van alle rechtsvervolging zou moeten leiden.
Het hof overweegt hierover het volgende.
Artikel 5, eerste lid, van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten (oud) luidt als volgt: “De verboden, bedoeld in de artikelen 9 tot en met 12 en 13, eerste lid, van de wet, gelden niet ten aanzien van gefokte vogels behorende tot een beschermde inheemse diersoort, alsmede voor eieren, nesten of producten van die vogels, indien de houder kan aantonen dat de vogels zijn gefokt, of indien het eieren, nesten of producten van die vogels betreft, dat de betrokken producten van gefokte vogels afkomstig zijn en voorzover:
a. deze vogels zijn voorzien van een pootring als bedoeld in artikel 6;
b. registratie heeft plaatsgevonden in de administratie bedoeld in artikel 8 enPro
c. voldaan is aan de krachtens artikel 18 gesteldePro regels.”
Artikel 8, eerste lid, van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten (oud) luidt als volgt:
“Door Onze Minister wordt een administratie bij gehouden waaruit blijkt aan wie, wanneer en met welke maten en registratienummers gesloten pootringen als bedoeld in artikel 6 zijnPro verstrekt.”
Uit het verhandelde ter terechtzitting, waaronder de verklaringen van de vertegenwoordigers van verdachte, is vast komen te staan dat de hierboven genoemde registratie niet heeft plaatsgevonden.
Medeverdachte [medeverdachte] heeft onder meer verklaard: “We hebben geen enkele keer ongeringde fazanten verkocht. Het is namelijk zo dat we anders administratie moeten bijhouden.” en “Het ringen heeft zijn voordelen, namelijk geen administratie en vrij vervoer van fazanten door het hele land.”
Derhalve kan het beroep op de vrijstelling niet slagen, is er sprake van een strafbaar feit en zal verdachte niet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.”
2.3
De volgende regelgeving is van belang:
- artikel 13 lid 1 onderPro a Flora en faunawet (oud):
“Het is verboden:
a. (...) dieren (...) behorende tot een (...) beschermde inheemse (...) diersoort (...) te verkopen (...)”
“Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, voorzover niet bij of krachtens enig ander artikel van deze wet vrijstelling is of kan worden verleend, vrijstelling worden verleend van de bij of krachtens de artikelen 8 tot en met 18 bepaalde verboden.”
- artikel 5 lid 1 BesluitPro vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten (hierna: Besluit) (oud):
“De verboden, bedoeld in de artikelen 9 tot en met 12 en 13, eerste lid, van de wet, gelden niet ten aanzien van gefokte vogels behorende tot een beschermde inheemse diersoort, alsmede voor eieren, nesten of producten van die vogels, indien de houder kan aantonen dat de vogels zijn gefokt, of, indien het eieren, nesten of producten van die vogels betreft, dat de betrokken producten van gefokte vogels afkomstig zijn en voorzover:
a. deze vogels zijn voorzien van een pootring als bedoeld in artikel 6;
b. registratie heeft plaatsgevonden in de administratie bedoeld in artikel 8 enPro
c. voldaan is aan de krachtens artikel 18 gesteldePro regels.”
“Door Onze Minister wordt een administratie bijgehouden waaruit blijkt aan wie, wanneer en met welke maten en registratienummers gesloten pootringen als bedoeld in artikel 6 zijnPro verstrekt.”
2.4
Uit de hiervoor onder 2.2.2 weergegeven overweging van het hof volgt dat het hof heeft miskend dat de in artikel 8 BesluitPro (oud) bedoelde registratie in een administratie slechts ziet op een door de - destijds - Minister van Economische zaken, Landbouw en Innovatie te houden administratie en niet op enige door de verdachte te houden administratie. Het cassatiemiddel klaagt daarover terecht. Gelet hierop heeft het hof de verwerping van het beroep op ontslag van alle rechtsvervolging wegens het bestaan van een vrijstelling als bedoeld in artikel 5 lid 1 BesluitPro (oud), niet toereikend gemotiveerd.
2.5
Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, is het gegrond.
3.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het restant van het eerste cassatiemiddel en het tweede cassatiemiddel niet nodig.
4.Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, voor zover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen zoals hiervoor onder 1 is weergegeven;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 juli 2021.