ECLI:NL:HR:2021:1110

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 juli 2021
Publicatiedatum
8 juli 2021
Zaaknummer
21/00246
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:79 AwbArt. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond in zaak tegen Sociale Verzekeringsbank over AOW-besluit

Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep over een besluit van de Sociale Verzekeringsbank ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW).

Een van de klachten betrof het ontbreken van handtekeningen op het aan belanghebbende toegezonden afschrift van de uitspraak. De Hoge Raad oordeelde dat het afschrift van de ondertekende uitspraak, dat aan de Hoge Raad was verstrekt, voldoende was en verwierp deze klacht.

De overige klachten werden eveneens afgewezen zonder nadere motivering, omdat deze niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.

De Hoge Raad zag geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer21/00246
Datum9 juli 2021
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de RAAD VAN BESTUUR VAN DE SOCIALE VERZEKERINGSBANK
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 10 december 2020, nr. 18/4156 AOW, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. 18/955) betreffende een besluit van de Sociale verzekeringsbank ingevolge de Algemene Ouderdomswet. De uitspraak van de Centrale Raad van Beroep is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.Beoordeling van de middelen

2.1
Belanghebbende klaagt in cassatie onder meer dat de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep niet is ondertekend door de voorzitter en de griffier. Hij wijst er op dat op het aan hem toegezonden afschrift van de uitspraak staat vermeld ‘(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum en daaronder (getekend) M. Stumpel’, maar dat die handtekeningen op dit afschrift ontbreken.
2.2
De klacht faalt. Desgevraagd heeft de griffier van de Centrale Raad van Beroep van de ondertekende uitspraak een afschrift aan de Hoge Raad verstrekt, welk afschrift aan dit arrest is gehecht.
2.3
De overige klachten van de middelen kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en M.T. Boerlage, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2021.