Uitspraak
gevestigd te Wageningen,
gevestigd te Groningen,
gevestigd te Naarden,
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
9 juli 2021.
Hoge Raad
Deze zaak betreft het preferentiebeleid van zorgverzekeraars voor extramurale farmaceutische zorg, specifiek over de aanwijzingsbevoegdheid van geneesmiddelen met verschillende sterktes van dezelfde werkzame stof Colecalciferol (vitamine D).
Menzis c.s. voerden een voorkeursbeleid waarbij zij slechts enkele sterktes van Colecalciferol als preferent aanwezen en andere sterktes uitsloten, wat Goodlife betwistte. De voorzieningenrechter en het hof oordeelden dat zorgverzekeraars niet bevoegd zijn om binnen de door de minister aangewezen geneesmiddelen met verschillende doseringen slechts enkele doseringen als preferent aan te wijzen.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat de aanwijzingsbevoegdheid van zorgverzekeraars op grond van art. 2.8 lid 3 Bzv beperkt is tot het aanwijzen van geneesmiddelen met dezelfde werkzame stof en dosering. Het is aan de minister, geadviseerd door het Zorginstituut Nederland, om te bepalen welke doseringen tot de verzekerde prestaties behoren. De behandelend arts bepaalt of een ander dan het preferente geneesmiddel medisch noodzakelijk is. Het voorgenomen beleid van Menzis c.s. is in strijd met deze wettelijke regeling en onrechtmatig jegens Goodlife.
De zaak wordt vernietigd en verwezen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling. Goodlife wordt veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
Uitkomst: Het voorgenomen preferentiebeleid van Menzis c.s. is onrechtmatig en de zaak wordt verwezen voor verdere behandeling.