Uitspraak
wonende te [woonplaats],
gevestigd te Amsterdam,
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
9 juli 2021.
Hoge Raad
In deze zaak staat de vraag centraal of een verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing mogelijk is nadat de ondertoezichtstelling formeel is geëindigd. De minderjarige was sinds 2011 onder toezicht gesteld en deze maatregel was meerdere malen verlengd. De kinderrechter had op 28 november 2019 de ondertoezichtstelling verlengd, hoewel deze op 24 november 2019 was geëindigd.
De vader van de minderjarige kwam in hoger beroep tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. Het hof bekrachtigde de beslissing van de kinderrechter. De vader stelde in cassatie dat de verlenging van de machtiging niet mogelijk was omdat de ondertoezichtstelling formeel was geëindigd en niet rechtsgeldig verlengd kon worden.
De Hoge Raad oordeelt dat de verlenging van de ondertoezichtstelling door de kinderrechter, ondanks het formele einde, niet buiten werking is gesteld door het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Hierdoor moest het hof bij zijn beslissing uitgaan van de verlengde ondertoezichtstelling. De klacht dat het hof de machtiging tot uithuisplaatsing had moeten vernietigen faalt. De overige klachten leiden niet tot cassatie omdat zij niet van belang zijn voor de rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt daarmee het oordeel van het hof.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing op basis van de verlengde ondertoezichtstelling.