Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.Bewezenverklaring en bewijsvoering
4.Beoordeling van de aanvraag
5.Beslissing
13 juli 2021.
Hoge Raad
De aanvrager is door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld voor meermalen gepleegde bedreiging met een misdrijf tegen het leven, waarvoor hij een gevangenisstraf van zeven dagen kreeg opgelegd. De aanvraag tot herziening betrof een nieuw bewijsstuk, een e-mail die suggereert dat geluidsopnames van bedreigende telefoongesprekken mogelijk zijn bewerkt.
De aanvraag baseerde zich op een e-mail van een betrokkene die stelde een opname te bezitten van een gesprek tussen de advocaat-generaal en de aangever, waarin zou blijken dat de bewijslast mogelijk onbetrouwbaar was. De Hoge Raad oordeelde echter dat de inhoud van deze opname niet is toegelicht en dat niet aannemelijk is gemaakt dat het gesprek heeft plaatsgevonden of dat het hof anders zou hebben geoordeeld als het hiervan op de hoogte was geweest.
De Hoge Raad concludeert dat de aanvraag niet het vereiste ernstige vermoeden wekt dat het eerdere vonnis onjuist was en wijst daarom de herzieningsaanvraag af. Hiermee blijft het eerdere arrest van het gerechtshof Amsterdam in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af wegens onvoldoende aannemelijk nieuw bewijs.