Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
13 juli 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die werd veroordeeld voor het verbergen van een mobiele telefoon in een plantenbak met het oogmerk om inbeslagneming te beletten, een overtreding van art. 189 lid 1 sub Pro 3 Sr. De verdachte voerde in hoger beroep een beroep op de strafuitsluitingsgrond van art. 189 lid 3 Sr Pro aan, omdat zij handelde uit angst voor haar eigen vervolging.
Het hof verwierp dit beroep, stellende dat het opzettelijk verbergen van de telefoon gericht was op het beletten van inbeslagneming en dat de verklaring van de verdachte niet geloofwaardig was, mede omdat zij deze verklaring pas in hoger beroep gaf. De verdachte had verklaard dat zij de telefoon verstopte uit angst voor een strafblad, omdat zij een functie als BOA ambieerde.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd, met name ten aanzien van de toepassing van de strafuitsluitingsgrond van art. 189 lid 3 Sr Pro. Deze bepaling is ook van toepassing op degene die de handelingen mede verricht om vervolging voor zichzelf te ontgaan. Gezien de aangevoerde feiten en omstandigheden had het hof dit verweer nader moeten onderzoeken.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het hof 's-Hertogenbosch voor hernieuwde berechting en beslissing. Het arrest is gewezen op 13 juli 2021 door de Hoge Raad.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.