Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
13 juli 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 26 augustus 2020, waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van poging tot diefstal met geweld. De feiten betroffen het eisen van geld van het slachtoffer in diens woning, waarbij het slachtoffer werd geslagen, geschopt en met een klemtang op de testikels werd geknepen.
De verdediging stelde dat het hof ten onrechte de bewezenverklaring had uitgebreid met de woorden "met zijn mededader", waardoor de grondslag van de tenlastelegging zou zijn verlaten. De advocaat-generaal adviseerde tot verwerping van het cassatieberoep.
De Hoge Raad oordeelde dat de klacht niet tot vernietiging van het arrest kan leiden en dat het niet nodig is om de klacht inhoudelijk te motiveren, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie. Het beroep werd derhalve verworpen.
Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren op 13 juli 2021 tijdens een openbare terechtzitting.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het hof Amsterdam wordt bevestigd.