Uitspraak
gevestigd te Winterthur, Zwitserland,
gevestigd te Dordrecht,
wonende te [woonplaats],
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
16 juli 2021.
Hoge Raad
In deze zaak staat de vraag centraal wanneer de vervaltermijn van tien jaar, bedoeld in art. 6:191 lid 2 BW Pro, aanvangt voor productaansprakelijkheid bij een heupprothese die uit vier afzonderlijk in het verkeer gebrachte onderdelen bestaat. De patiënt onderging in 2004 een operatie waarbij een Durom/Metasul-heupprothese werd geplaatst, bestaande uit een kop, kom, adapterhuis en steel, die op verschillende data door Zimmer GmbH werden geproduceerd en geleverd.
De rechtbank oordeelde dat het product pas bestond op het moment dat de onderdelen tot een geheel waren samengevoegd, waardoor de vervaltermijn niet begon bij het in het verkeer brengen van de afzonderlijke onderdelen. Het hof bevestigde dit oordeel deels, maar stelde dat de vervaltermijn niet pas vanaf de operatiedatum loopt, maar vanaf het moment dat de onderdelen door de producent in het verkeer zijn gebracht, waarbij het moment van ontvangst bij de importeur als maatstaf geldt.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en het tussenvonnis van de rechtbank voor zover zij oordeelden dat de heupprothese als eindproduct de vervaltermijn bepaalt. De Hoge Raad stelt dat elk onderdeel afzonderlijk een product is en dat de vervaltermijn per onderdeel begint te lopen bij het moment dat dat onderdeel in het verkeer is gebracht. De klacht dat de heupprothese als eindproduct wordt beschouwd en dat de vervaltermijn pas bij het in het verkeer brengen van de kom begint, wordt gegrond verklaard. De zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank voor verdere behandeling.
De Hoge Raad benadrukt dat de vervaltermijn objectief moet worden vastgesteld en dat het samenstellen van de heupprothese tijdens de operatie geen nieuwe vervaltermijn doet aanbreken. De uitspraak verduidelijkt de toepassing van productaansprakelijkheid bij samengestelde producten en de aanvang van de vervaltermijn per onderdeel.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en het tussenvonnis en verwijst de zaak terug naar de rechtbank voor verdere behandeling, met de uitleg dat de vervaltermijn per onderdeel van de heupprothese begint te lopen bij het in het verkeer brengen.