ECLI:NL:HR:2021:1189
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid verlengde navorderingstermijn erfbelasting bij buitenlands vermogen
Belanghebbende, enig erfgenaam van een in 2001 overleden partner, had in de erfbelastingaangifte geen melding gemaakt van in het buitenland aangehouden vermogensbestanddelen. Na vrijwillige verbetering in 2014 legde de Inspecteur in 2016 een navorderingsaanslag op. Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch oordeelde dat het Unierecht niet in de weg stond aan de verlengde navorderingstermijn zoals opgenomen in artikel 66, lid 4, Successiewet 1956.
Belanghebbende stelde in cassatie dat deze verlengde navorderingstermijn een verboden belemmering van het vrije verkeer van kapitaal en diensten vormt op grond van de artikelen 56 en 63 VWEU. De Hoge Raad overwoog dat hoewel een dergelijke verlenging een beperking van deze verkeersvrijheden kan vormen, deze beperking gerechtvaardigd is door het dwingende belang van het bestrijden van belastingfraude en het waarborgen van doeltreffende fiscale controles.
De Hoge Raad benadrukte dat de maatregel proportioneel moet zijn en niet verder mag gaan dan noodzakelijk om het doel te bereiken. In deze zaak was vastgesteld dat de Inspecteur de verlengde navorderingstermijn niet op een onevenredige wijze heeft toegepast. Daarom is het beroep in cassatie ongegrond verklaard en blijft de navorderingsaanslag in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de rechtmatigheid van de verlengde navorderingstermijn erfbelasting.