Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
4.Beslissing
14 september 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin de verdachte werd veroordeeld voor bedreiging van twee politieagenten door tijdens een achtervolging met hoge snelheid opzettelijk hun politieauto van de weg te drukken.
De bewezenverklaring steunt op gedetailleerde verklaringen van de benadeelde agenten die de gevaarlijke situatie en hun vrees voor hun leven beschrijven. Het hof oordeelde dat de gedragingen van de verdachte een ernstige normschending vormden en dat de benadeelden daardoor immateriële schade hadden geleden.
De Hoge Raad bevestigt dat de bedreiging en het aanrijden tijdens de achtervolging een aantasting van de persoon 'op andere wijze' is in de zin van artikel 6:106 lid Pro b BW. De emotionele en psychische gevolgen voor de agenten, waaronder angst en blijvende herinneringen aan het incident, rechtvaardigen de toegekende schadevergoeding van €600 per benadeelde partij.
Het cassatieberoep wordt verworpen, waarmee het hofarrest in stand blijft. De Hoge Raad benadrukt dat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk is en geen onjuiste rechtsopvatting bevat, mede gelet op jurisprudentie over geestelijk letsel en immateriële schade.
Uitkomst: Hoge Raad bevestigt veroordeling verdachte voor bedreiging en toekenning immateriële schadevergoeding aan benadeelde politieagenten.