ECLI:NL:HR:2021:1274

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 september 2021
Publicatiedatum
16 september 2021
Zaaknummer
18/05077
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt oordeel hof in ontnemingsvordering ondanks overschrijding redelijke termijn

De zaak betreft een cassatieberoep van de betrokkene tegen een arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 28 november 2018, waarin een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel werd toegewezen. De betrokkene stelde onder meer dat het hof ten onrechte niet had beslist op het verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zou zijn omdat bij een eerdere veroordeling geen ontnemingsprocedure was gevoerd.

De Hoge Raad oordeelt dat de klachten tegen het arrest van het hof niet leiden tot vernietiging en dat het niet nodig is dit nader te motiveren vanwege artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie. Tevens is vastgesteld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden doordat stukken te laat werden ingezonden en het arrest pas na meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep is gewezen.

Desondanks leidt deze termijnoverschrijding niet tot een ander rechtsgevolg in deze ontnemingszaak. De compensatie voor de overschrijding zal worden toegepast in de samenhangende strafzaak die eveneens in cassatie is aanhangig. De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt daarmee het arrest van het hof.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden inzake ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer18/05077 P
Datum28 september 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 november 2018, nummer 21-001400-13, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de betrokkene.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. Ook in de strafzaak die met deze ontnemingszaak samenhangt en die in cassatie aanhangig is onder nr. 18/05078, is de redelijke termijn in de cassatiefase overschreden. De compensatie waartoe de overschrijding van de redelijke termijn moet leiden, zal worden toegepast in de strafzaak.
3.3
Daarom is er geen aanleiding om in deze zaak aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
28 september 2021.