Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 16 Benzinewet
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Toepassing Benzinewet of huurrecht bij einde exploitatieovereenkomst benzinestation
In deze zaak stond centraal of bij het einde van een exploitatieovereenkomst van een benzinestation de Benzinewet of het huurrecht van toepassing is, en of de overeenkomst van rechtswege eindigt zonder opzegging volgens artikel 16 vanPro de Benzinewet, ook na wijziging van de rechtsverhouding.
Eiseres, een exploitant van een benzinestation, had tegen NRGValue Tankstations Nederland B.V. een procedure gevoerd die leidde tot een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch. Eiseres stelde dat de Benzinewet van toepassing was en dat de overeenkomst van rechtswege zou eindigen zonder opzegging. Het hof oordeelde anders en wees het beroep van eiseres af.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van eiseres beoordeeld en geoordeeld dat de klachten niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad zag geen aanleiding om de zaak te behandelen op grond van artikel 81 lid 1 vanPro de Wet op de rechterlijke organisatie, omdat de vragen niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
De Hoge Raad verwerpt het beroep van eiseres en veroordeelt haar in de kosten van het geding in cassatie. Het arrest is gewezen door de vicepresident en raadsheren en in het openbaar uitgesproken door een raadsheer.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de exploitatieovereenkomst niet van rechtswege eindigt zonder opzegging.
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer20/01513
Datum24 september 2021
ARREST
In de zaak van
[eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats],
EISERES tot cassatie,
hierna: [eiseres],
advocaat: J.P. Heering, aanvankelijk ook P.J. Tanja,
tegen
NRGVALUE TANKSTATIONS NEDERLAND B.V., gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: NRGValue,
advocaten: aanvankelijk M.E.M.G. Peletier, thans J.W.H. van Wijk en J.W. de Jong.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
het vonnis in de zaak 5864797 van de kantonrechter te Eindhoven van 11 januari 2018;
het arrest in de zaak 200.238.356/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 4 februari 2020.
[eiseres] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
NRGValue heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, en voor [eiseres] mede door J.L. Luiten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eiseres] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2.Beoordeling van het middel
De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 vanPro de Wet op de rechterlijke organisatie).
3.Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van NRGValue begroot op € 902,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eiseres] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, A.E.B. ter Heide, S.J. Schaafsma en F.R. Salomons, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op 24 september 2021.