Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2021:1355

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 september 2021
Publicatiedatum
23 september 2021
Zaaknummer
21/00375
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:17 AwbArt. 2:3 AwbArt. 6:15 AwbArt. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling dwangsom bij niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar en bevoegdheid bestuursorgaan

Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd door de gemeente Haarlem. Hij diende een ingebrekestelling in voor het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar, maar deze werd eerst ontvangen door een onbevoegd bestuursorgaan, een onderdeel van de gemeente Haarlemmermeer.

Het geschil betrof de vraag vanaf welke datum de dwangsom verschuldigd is: de datum van ontvangst door het onbevoegde bestuursorgaan of de datum van ontvangst door het bevoegde bestuursorgaan. Het Hof oordeelde dat de termijn pas begint bij ontvangst door het bevoegde bestuursorgaan.

De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat artikel 6:15 lid 3 Awb Pro niet van toepassing is op ingebrekestellingen als bedoeld in artikel 4:17 lid 3 Awb Pro die bij een onbevoegd bestuursorgaan zijn ingediend. De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond en wees geen proceskosten toe.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en bevestigt dat de dwangsomtermijn pas begint bij ontvangst van de ingebrekestelling door het bevoegde bestuursorgaan.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer21/00375
Datum24 september 2021
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
het DAGELIJKS BESTUUR VAN COCENSUS
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 22 december 2020, nr. 19/00818, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 18/3400) betreffende een verzoek van belanghebbende om toekenning van een dwangsom wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door G. Veldhuisen, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het dagelijks bestuur van Cocensus, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Uitgangspunten in cassatie

2.1
De heffingsambtenaar van de gemeente Haarlem heeft belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd waartegen belanghebbende bezwaar heeft gemaakt. Met dagtekening 31 mei 2016 heeft de heffingsambtenaar belanghebbende een duplicaatnaheffingsaanslag toegezonden, waarin is vermeld:
“U kunt het bezwaarschrift schriftelijk indienen bij de gemeente Haarlem, t.a.v. de Inspecteur Belastingen, Postbus 796, 2130 AT Hoofddorp.”
2.2
Belanghebbende heeft een kopie van het bezwaarschrift verzonden met als bijlage een ingevuld ‘formulier dwangsom bij niet tijdig beslissen’.
De adressering in de kopie van het bezwaarschrift luidt:
"De Inspecteur Belastingen (...)Gemeente Haarlemmermeer Fax: 023-5563561 (buiten gebruik)Antwoordnummer 400 Email: info@haarlemmermeer.nl2130 WB Hoofddorp (...) "Op het bijgevoegde formulier is als datum vermeld: 2 mei 2017
Op het bezwaarschrift is een stempel geplaatst met de tekst:
“INGEKOMEN 08 MEI 2017”
2.3
De heffingsambtenaar heeft op 24 mei 2017 uitspraak op bezwaar gedaan en bij beschikking van 1 augustus 2017 een dwangsom van € 40 toegekend.

3.Procedure bij het Hof

3.1
Bij het Hof was de hoogte van de dwangsom in geschil.
3.2
Belanghebbende betoogde met verwijzing naar in hoger beroep overgelegde bescheiden dat de ingebrekestelling op 2 mei 2017 door een onbevoegd bestuursorgaan (onderdeel van de gemeente Haarlemmermeer en niet van de gemeente Haarlem) is ontvangen en dat die datum bij het bepalen van de verschuldigde dwangsom uitgangspunt moet zijn.
3.3
Het Hof heeft geoordeeld dat, ook indien veronderstellenderwijs moet worden aangenomen dat de ingebrekestelling op 2 mei 2017 bij het onbevoegde bestuursorgaan is ingediend, het begin van de termijn waarover de dwangsom is verschuldigd niet eerder is aangevangen dan op 8 mei 2017, de datum waarop de ingebrekestelling door het bevoegde bestuursorgaan is ontvangen. Op die grond heeft het Hof het hoger beroep ongegrond geacht.

4.Beoordeling van de middelen

4.1
Het Hof heeft aan zijn beslissing mede ten grondslag gelegd het oordeel dat het bepaalde in artikel 6:15, lid 3, Awb niet van toepassing is op een ingebrekestelling als bedoeld in artikel 4:17, lid 3, Awb die is ingediend bij een onbevoegd bestuursorgaan en dat daarom als datum van ontvangst van de ingebrekestelling geldt de datum waarop het bevoegde bestuursorgaan dit stuk – na doorzending ervan op de voet van artikel 2:3 Awb Pro – heeft ontvangen. Dit oordeel is juist. Voor zover de middelen zich tegen dat oordeel keren, falen zij daarom.
4.2
Ook voor het overige kunnen de middelen niet tot vernietiging van de bestreden uitspraak leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van de middelen voor het overige is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

5.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

6.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en M.T. Boerlage, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 24 september 2021.