Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
4.Beslissing
28 september 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 26 november 2019, waarin de verdachte werd veroordeeld voor hennepteelt en diefstal van elektriciteit in een pand te Utrecht.
Het cassatiemiddel richtte zich onder meer op het feit dat het hof de verwerping van een betrouwbaarheidsverweer mede baseerde op een verklaring die door de rechter-commissaris was afgelegd maar niet in het dossier zat. De Hoge Raad oordeelde dat, zelfs indien het hof hiermee rekening had gehouden, dit geen cassatiegrond oplevert vanwege de ondergeschikte betekenis van deze verwijzing voor het bewijs.
Het hof had de betrouwbaarheid van de verklaringen van getuige 1 bevestigd, ondanks dat deze meerdere keren was gehoord en er sprake was van enige inconsistenties en bedreigingen. De Hoge Raad vond dat het hof voldoende gemotiveerd had waarom de latere verklaring van de getuige niet afbreuk deed aan de eerdere verklaringen.
De overige klachten van het cassatieberoep werden eveneens verworpen zonder nadere motivering, waarna de Hoge Raad het beroep verwerpt en het arrest van het hof bevestigt.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling van de verdachte voor hennepteelt en diefstal van elektriciteit.