Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Bespreking van het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
4.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
5.Beslissing
2 februari 2021.
Hoge Raad
In deze cassatiezaak stond centraal of een verdachte, wiens vermogen onder bewind is gesteld en die onder een schuldsaneringsregeling valt, zichzelf zelfstandig kan verdedigen tegen een vordering van de benadeelde partij (b.p.) of dat de bewindvoerder namens hem moet optreden. De Hoge Raad oordeelde dat de verdachte zelf kan procederen in het strafproces en dat de regels voor bijstand of vertegenwoordiging uit het burgerlijk recht niet van toepassing zijn op het strafproces.
Daarnaast werd de toepassing van vervangende hechtenis bij een schadevergoedingsmaatregel door het hof vernietigd. De Hoge Raad bepaalde dat in plaats daarvan gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast conform artikel 6:4:20 Sv Pro.
De zaak betrof een verdachte die een 16-jarige jongen met een verstandelijke beperking had verleid, waarbij de benadeelde partij een schadevergoeding vorderde. Het hof had de schadevergoeding deels toegewezen en vervangende hechtenis opgelegd bij niet-betaling. De Hoge Raad vernietigde dit deel van het arrest en bepaalde de toepassing van gijzeling.
De Hoge Raad verwierp het overige beroep van de verdachte en bevestigde daarmee het overige oordeel van het hof. Hiermee werd duidelijkheid verschaft over de positie van verdachte onder bewind in strafprocedures en de toepassing van dwangmiddelen bij schadevergoedingsmaatregelen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de toepassing van vervangende hechtenis bij de schadevergoedingsmaatregel en bepaalt dat gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast; verdachte kan zich zelfstandig verdedigen ondanks bewind en schuldsanering.