Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
28 september 2021.
Hoge Raad
In deze zaak gaat het om een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag inzake poging tot doodslag gepleegd in 2019. De verdachte werd beschuldigd van het zonder duidelijke aanleiding steken van een ander met een mes in arm, hand en hoofd.
Het cassatieberoep werd ingediend door de verdachte, vertegenwoordigd door zijn advocaat. De Hoge Raad heeft de ontvankelijkheid van het beroep beoordeeld en daarbij de klachten over het arrest van het hof onderzocht. De procureur-generaal bij de Hoge Raad kreeg de gelegenheid om een advies uit te brengen.
De Hoge Raad oordeelde dat het cassatieberoep duidelijk niet kan slagen en maakte gebruik van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 80a RO.