ECLI:NL:HR:2021:1414

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 oktober 2021
Publicatiedatum
30 september 2021
Zaaknummer
20/01099
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 432 lid 1 sub a SvArt. 511h Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens te late indiening bij profijtontneming

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 5 maart 2020 inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene was op de terechtzitting van het hof verschenen op 23 januari 2020, waardoor het cassatieberoep binnen 14 dagen na de einduitspraak van het hof had moeten worden ingesteld.

Het cassatieberoep werd echter pas op 20 maart 2020 ingediend, wat buiten de wettelijke termijn valt zoals voorgeschreven in artikel 432 lid 1 onder Pro b, in samenhang met artikel 511h van het Wetboek van Strafvordering. De advocaat-generaal concludeerde aanvankelijk tot verwerping van het beroep en later tot niet-ontvankelijkverklaring.

De Hoge Raad oordeelt dat vanwege het te late indienen het cassatieberoep niet in behandeling kan worden genomen en verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Hiermee wordt het vonnis van het hof in stand gelaten zonder inhoudelijke beoordeling van de zaak.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard vanwege te late indiening.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer20/01099 P
Datum5 oktober 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 5 maart 2020, nummer 20-002871-17, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de betrokkene.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft R.J.M. Oerlemans, advocaat te ’s-Hertogenbosch, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft op 6 juli 2021 geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Bij aanvullende conclusie van 14 september 2021 heeft hij geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in het ingestelde beroep.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

2.1
Volgens artikel 432 lid Pro 1, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 511h van het Wetboek van Strafvordering moet het cassatieberoep binnen veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld als de betrokkene op de terechtzitting of nadere terechtzitting is verschenen.
2.2
Volgens de stukken is de betrokkene op de terechtzitting van het hof van 23 januari 2020 verschenen. Gelet op het voorgaande had daarom het cassatieberoep moeten worden ingesteld binnen veertien dagen na de einduitspraak van het hof van 5 maart 2020. Het beroep is echter pas ingesteld op 20 maart 2020. Dit brengt mee dat de Hoge Raad het cassatieberoep niet in behandeling kan nemen.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
5 oktober 2021.