Uitspraak
wonende te [woonplaats],
zetelende te Lelystad,
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
1 oktober 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland waarin vervroegde onteigening van twee perceelsgedeelten van eiser is uitgesproken ten behoeve van de Provincie Flevoland. In de inleidende dagvaarding bood de Provincie een bijkomende voorziening aan, namelijk de teruglevering van de perceelsgedeelten na verwijdering van een turbine tegen een koopprijs van €18.109, met kosten voor rekening van de Provincie.
De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank in het dictum van het vonnis had moeten bepalen dat de Provincie deze bijkomende voorziening gestand zal doen, zoals vereist door artikel 54i lid 1 van de Onteigeningswet. Het nalaten hiervan leidt tot vernietiging van het vonnis voor zover dit betreft de beslissing over de bijkomende voorziening.
De Hoge Raad doet zelf de zaak af door te bepalen dat de Provincie op verlangen van eiser de aangeboden bijkomende voorziening tot twee maanden na onherroepelijkheid van het eindvonnis en uitvoering van het werk moet gestand doen. De overige klachten worden verworpen zonder nadere motivering. Tevens wordt de Provincie veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: Het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd voor het ontbreken van een beslissing over de bijkomende voorziening, die de Provincie moet gestand doen.