ECLI:NL:HR:2021:1431

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 oktober 2021
Publicatiedatum
1 oktober 2021
Zaaknummer
21/00125
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens niet betalen griffierecht

Belanghebbende, een besloten vennootschap, heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag. Voor het instellen van dit beroep was betaling van griffierecht vereist. Belanghebbende heeft een beroep op betalingsonmacht gedaan, maar heeft geen tijdige verklaring omtrent afwezigheid van vermogen ingediend ondanks meerdere verzoeken en herinneringen van de griffier.

De griffier heeft belanghebbende meerdere malen in de gelegenheid gesteld om alsnog een verklaring in te dienen en het griffierecht te voldoen. Ook is belanghebbende bij aangetekende brief gewezen op de betalingsverplichting en de termijn voor betaling. Het griffierecht is echter niet betaald en de ingediende brief van belanghebbende bevat geen gegronde reden om het verzuim te verhelpen.

Op grond van artikel 8:41, lid 6, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. De Hoge Raad ziet geen aanleiding om belanghebbende te veroordelen in de proceskosten. Het arrest is op 1 oktober 2021 in het openbaar uitgesproken door de raadsheren Wortel, Beukers-van Dooren en Cools.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet betaling van het griffierecht en het ontbreken van een geldige verklaring van betalingsonmacht.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer21/00125
Datum1 oktober 2021
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende),
vertegenwoordigd door J.J. Pronk
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN,
vertegenwoordigd door [P]
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 23 november 2020, nrs. SGR 20/2088 V en SGR 20/2090 V tot en met SGR 20/2101 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 11 juni 2020.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van beroep in cassatie

Belanghebbende heeft ter zake van betaling van het verschuldigde griffierecht een beroep op betalingsonmacht gedaan.
De griffier van de Hoge Raad (hierna: de griffier) heeft op 15 april 2021 in het digitaal dossier van belanghebbende een bericht geplaatst waarbij belanghebbende in de gelegenheid is gesteld binnen twee weken een verklaring omtrent afwezigheid van vermogen in te dienen.
Van de plaatsing van het hiervoor vermelde bericht in het digitaal dossier van belanghebbende is eveneens op 15 april 2021 een notificatie verzonden naar het door de gemachtigde van belanghebbende voor dit doel opgegeven e–mailadres.
De verklaring is niet binnen die termijn ingediend waarna de griffier de heffing van het griffierecht heeft voortgezet.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 4 mei 2021 gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en voor de betaling daarvan een termijn van vier weken gesteld. Deze brief is volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL afgehaald op de afhaallocatie. Het griffierecht is niet voldaan.
De griffier van de Hoge Raad heeft op 7 juni 2021 een bericht in het digitaal dossier van belanghebbende geplaatst waarbij belanghebbende in de gelegenheid is gesteld mee te delen waarom het griffierecht niet is betaald. Hetgeen de gemachtigde van belanghebbende in het via het webportaal van de Hoge Raad ingediende brief van 4 juli 2021 aanvoert, vormt geen grond voor het oordeel dat belanghebbende niet in verzuim is geweest.
Het beroep in cassatie moet daarom op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb niet–ontvankelijk worden verklaard.

2.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2021.