ECLI:NL:HR:2021:1454

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 oktober 2021
Publicatiedatum
7 oktober 2021
Zaaknummer
20/01362
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest over eigendom en herstel brug tussen percelen

Deze civiele zaak betreft een geschil tussen buren over de eigendom en het gebruik van een brug die twee percelen met elkaar verbindt. Eiseres vordert primair een verklaring dat zij eigenares is van de brug en subsidiair toedeling van volledige eigendom. Daarnaast vordert zij herstel van de brug en een verbod aan verweerder om de brug te verwijderen of te beschadigen.

De rechtbank wees de vorderingen af en het hof bekrachtigde dit oordeel. Het hof oordeelde dat eiseres geen recht ontleent aan de erfdienstbaarheid om de brug te gebruiken en dat de brug, indien bestanddeel van de percelen, eigendom is van beide eigenaren voor de helft. Het hof wees de vorderingen af omdat eiseres geen recht had op volledige eigendom of herstel op grond van de erfdienstbaarheid.

De Hoge Raad constateert dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat eiseres haar vordering tot herstel uitsluitend op de erfdienstbaarheid heeft gebaseerd, terwijl zij ook een gemeenschappelijke eigendom van de brug heeft gesteld. Hierdoor is de grondslag van de vordering onjuist beoordeeld. De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling en beslissing.

Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest en verwijst zaak terug voor verdere behandeling.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer20/01362
Datum8 oktober 2021
ARREST
In de zaak van
[eiseres] ,
wonende te [woonplaats] ,
EISERES tot cassatie,
hierna: [eiseres] ,
advocaat: H.J.W. Alt,
tegen
[verweerder] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: [verweerder] ,
advocaat: J.H.M. van Swaaij.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
de vonnissen in de zaak C/16/226604 / HA ZA 07-374 van de rechtbank Utrecht van 16 mei 2007, 19 maart 2008, 25 augustus 2010, 15 februari 2012, 23 mei 2012, 8 augustus 2012 en 31 oktober 2012, en van de rechtbank Midden-Nederland van 19 juni 2013, 2 april 2014 en 17 december 2014;
het arrest in de zaak 200.177.008 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 14 januari 2020.
[eiseres] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
[verweerder] heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor [verweerder] toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing.
De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Uitgangspunten en feiten

2.1
In cassatie kan, voor zover in cassatie van belang, van het volgende worden uitgegaan.
(i) [eiseres] is eigenares van een perceel met het kadastrale nummer K1168. Zij is tevens eigenares van het nabijgelegen perceel K1144.
(ii) [verweerder] is eigenaar van het perceel K1169 (dat grenst aan perceel K1168 van [eiseres] ). Hij is tevens eigenaar van het nabijgelegen perceel K1139.
(iii) Tussen perceel K1168 van [eiseres] en perceel K1139 van [verweerder] ligt een sloot. Deze percelen waren met elkaar verbonden door een brug, die partijen aanduiden als de ‘westelijke brug’ (hierna: de brug). [verweerder] heeft deze brug na een in deze procedure gewezen tussenvonnis gedeeltelijk gesloopt.
2.2
In dit geding heeft [eiseres] een reeks vorderingen tegen [verweerder] ingesteld. In cassatie zijn uitsluitend nog de vorderingen V en XI aan de orde. Vordering V strekt primair tot verklaring voor recht dat [eiseres] eigenares is van de brug, en subsidiair tot toedeling van de volledige eigendom van de brug aan haar. Vordering XI strekt ertoe [verweerder] te veroordelen tot herstel van de brug en hem te verbieden de brug opnieuw te verwijderen of beschadigen, zolang niet bij in kracht van gewijsde gegane uitspraak is beslist over de eigendom of gebruiksrechten ten aanzien van de brug. [eiseres] heeft aan deze vorderingen onder meer ten grondslag gelegd dat zij aan een erfdienstbaarheid met nr. 378 het recht ontleent de brug te gebruiken om zich te bewegen tussen perceel K1168 en perceel K1144.
De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen.
2.3
Het hof heeft de vonnissen van de rechtbank bekrachtigd. [1] Na te hebben geoordeeld dat [eiseres] niet op grond van erfdienstbaarheid nr. 378 gerechtigd is de brug te gebruiken, heeft het hof over de eigendom van de brug, voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen:
“5.8 (…) Gegeven het oordeel van het hof, dat erfdienstbaarheid nr. 378 [eiseres] geen recht verschaft om van haar perceel K1144 over de ‘westelijke brug’ te komen en te gaan naar haar perceel K1168, is de grondslag komen te ontvallen aan het betoog van [eiseres] dat zij de eigendom van de gehele ‘westelijke brug’ heeft verkregen. (…) Als er al sprake van is dat de ‘westelijke brug’ bestanddeel is van de aangrenzende percelen dan geldt dat de brug voor de (onverdeelde) helft bestanddeel is van beide aangrenzende percelen K1168 en K1139. Ook in het geval de eigendom van de ‘westelijke brug’ is verkregen door natrekking geldt dat de eigenaren van de beide aangrenzende percelen K1168 en K1139 ieder voor de (onverdeelde) helft eigenaar van die brug zijn geworden. Het hof ziet in de door [eiseres] gestelde landschappelijke waarde en het uitzicht over de omgeving door de verhoogde ligging van de brug, onvoldoende aanleiding om, zoals gevraagd, de ‘westelijke brug’ aldus te verdelen dat deze geheel in eigendom aan [eiseres] toekomt. De onder V gevorderde verklaring voor recht dat de ‘westelijke brug’ eigendom van [eiseres] is kan niet worden toegewezen en grief 1 faalt daarom.
5.9
In hoger beroep heeft [eiseres] aan haar vordering onder XI, strekkende tot herstel en
instandhouding van de ‘westelijke brug’ uitsluitend de door haar gestelde uitleg van
erfdienstbaarheid nr. 378 ten grondslag gelegd. Nu het hof over de uitleg daarvan anders
heeft geoordeeld ontvalt de grondslag aan haar vordering onder XI en faalt grief 2 eveneens.”

3.Beoordeling van het middel

3.1.1
Onderdeel 2.1 van het middel klaagt onder meer over het oordeel van het hof in rov. 5.9 dat [eiseres] aan de vordering tot herstel en instandhouding van de brug uitsluitend de door haar gestelde uitleg van erfdienstbaarheid nr. 378 ten grondslag heeft gelegd. Het onderdeel acht deze uitleg van de grieven, mede in het licht van het verdere debat tussen partijen, onbegrijpelijk.
3.1.2
In eerste aanleg heeft [eiseres] onder meer aangevoerd dat sprake is van gedeelde eigendom van de brug en dat [verweerder] (ook) op grond daarvan de brug niet zonder haar toestemming had mogen verwijderen. Verder heeft [eiseres] aangevoerd dat zij, ook bij afwijzing van de vordering tot toedeling van de eigendom van de brug aan haar (vordering V subsidiair), een rechtens te respecteren belang heeft bij herstel van de brug (vordering XI), enerzijds omdat het onklaar maken van de brug een inbreuk op de gemeenschappelijke eigendom oplevert en anderzijds in verband met de uitoefening van erfdienstbaarheid nr. 378.
De rechtbank heeft de gestelde gemeenschappelijke eigendom van de brug niet aannemelijk geacht (rov. 4.4 eindvonnis).
3.1.3
Het hoger beroep van [eiseres] richt zich onder meer tegen de verwerping van haar betoog dat de brug aan haar en [verweerder] in gemeenschappelijke eigendom toebehoort. Daarbij kunnen de grieven, in onderlinge samenhang gelezen, niet anders worden begrepen dan dat [eiseres] de gestelde gemeenschappelijke eigendom, net als in eerste aanleg, ook ten grondslag heeft gelegd aan haar vordering (XI) tot herstel en instandhouding van de brug (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.17-1.20 en 2.14). Uit het verdere debat van partijen en hetgeen blijkens het proces-verbaal ter zitting bij het hof is besproken, kan niet worden afgeleid dat [eiseres] die grondslag heeft prijsgegeven; het tegendeel is het geval (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.23-1.26). De klacht is dan ook gegrond.
3.2
De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO Pro).

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 14 januari 2020;
- verwijst het geding naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;
- veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op € 528,16 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [verweerder] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, als voorzitter, H.M. Wattendorff en S.J. Schaafsma, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op
8 oktober 2021.

Voetnoten

1.Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 14 januari 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:289.