ECLI:NL:HR:2021:1472

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 oktober 2021
Publicatiedatum
7 oktober 2021
Zaaknummer
20/02890
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7.8 Wet IB 2001Art. 2.17 Wet IB 2001Art. 3.111 Wet IB 2001Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beperking aftrek hypotheekrente gezamenlijke eigen woning in België niet in strijd met EU-recht

Belanghebbende en haar echtgenoot zijn gezamenlijk eigenaar van een woning in België en hebben een hypothecaire lening afgesloten. Belanghebbende was in 2015 in Nederland werkzaam en kwalificeerde als buitenlandse belastingplichtige. Zij bracht de volledige betaalde hypotheekrente in aftrek, maar de Inspecteur beperkte deze aftrek tot 50%.

Het geschil betrof de vraag of deze beperking in strijd is met het EU-recht, waarbij belanghebbende stelde dat zij als gehuwde buitenlands belastingplichtige gelijk behandeld moet worden als binnenlandse belastingplichtigen, en dat de beperking een verboden discriminatie en belemmering van het vrije verkeer van werknemers inhoudt.

Het Hof oordeelde dat de Belgische echtgenoot voldoende inkomen had en dat het gezinsinkomen niet nagenoeg geheel in Nederland werd verdiend, waardoor Nederland niet verplicht is om de volledige aftrek toe te staan. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst erop dat het arrest Zurstrassen het uitgangspunt geeft dat de woonstaat rekening houdt met persoonlijke en gezinsomstandigheden, tenzij het gezinsinkomen vrijwel geheel in de werkstaat wordt verdiend.

De klacht dat het arrest Zurstrassen onjuist werd toegepast faalt, ook al staat de Belgische wet toe dat de echtgenoot de hypotheekrente niet aftrekt. De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ EU.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de beperking van de hypotheekrenteaftrek niet in strijd is met het EU-recht.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer20/02890
Datum8 oktober 2021
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] , België (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 23 juli 2020, nr. 20/00109 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 18/4116), betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2015 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door J.A.H.M. de Moor, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 24 maart 2021 geconcludeerd tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. [2]
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Uitgangspunten in cassatie

2.1
Belanghebbende is gehuwd. Zij woont met haar echtgenoot in België. Belanghebbende en de echtgenoot zijn ieder voor de onverdeelde helft eigenaar van een in België gelegen woning. Voor de aankoop van de woning hebben zij een hypothecaire geldlening afgesloten. De woning is een eigen woning in de zin van artikel 3.111 van de Wet IB 2001.
2.2
Belanghebbende was in 2015 in dienstbetrekking werkzaam in Nederland en genoot een loon van € 71.605. De echtgenoot is gepensioneerd en genoot in dat jaar inkomsten uit vroegere dienstbetrekking en een AOW-uitkering tot een bedrag van in totaal € 21.601. Deze inkomsten van de echtgenoot zijn uitsluitend belast in België.
2.3
In haar aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2015 heeft belanghebbende vermeld dat zij een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is in de zin van artikel 7.8, lid 6, Wet IB 2001. Voorts heeft zij het gehele bedrag van de door haar en de echtgenoot in 2015 betaalde hypotheekrente van € 11.114, verminderd met het gehele bedrag van het voor de woning geldende eigenwoningforfait, in aftrek gebracht op haar in Nederland belaste inkomsten. De Inspecteur heeft de helft van dat bedrag in aanmerking genomen.
2.4
De echtgenoot van belanghebbende heeft in zijn voor het jaar 2015 ingediende aangifte in de Belgische personenbelasting een bedrag van € 5.557 aan betaalde hypotheekrente vermeld, maar dat heeft niet tot een te effectueren aftrekpost geleid.

3.De procedure voor het Hof

3.1
Voor het Hof was onder meer in geschil of de beperking van de aftrek bij belanghebbende tot 50 procent van de negatieve inkomsten uit eigen woning in strijd is met het recht van de Europese Unie. Belanghebbende betoogde dat die strijdigheid is gelegen in de omstandigheid dat gehuwde buitenlands belastingplichtigen in Nederland niet zonder meer kwalificeren als partners, in tegenstelling tot binnenlands belastingplichtigen, en dat daardoor de beperking van de aftrek een verboden discriminatie naar woonplaats oplevert en een eveneens verboden beperking van het vrije verkeer van werknemers.
3.2
Het Hof heeft geoordeeld dat de echtgenoot in België een inkomen geniet dat zodanig hoog is dat in België rekening kan worden gehouden met zijn fiscale draagkracht en daarmee met zijn persoonlijke en gezinssituatie, en dat dus niet het gezamenlijke gezinsinkomen van belanghebbende en de echtgenoot nagenoeg geheel in Nederland wordt verworven. Uit het arrest Zurstrassen volgt dat Nederland dan niet verplicht is om belastingvoordelen die gelden voor partners die beiden binnenlands belastingplichtig zijn, ook toe te passen bij belanghebbende en de echtgenoot. Van verboden discriminatie is dus geen sprake, aldus het Hof.

4.Beoordeling van de klachten

4.1
De tweede klacht richt zich tegen het in 3.2 van dit arrest weergegeven oordeel van het Hof. Betoogd wordt onder meer dat het Hof ten onrechte het beroep van belanghebbende op het arrest Zurstrassen van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) van de hand heeft gewezen. [3]
4.2
Bij het Hof was niet in geschil dat het gezinsinkomen van belanghebbende en de echtgenoot in 2015 niet geheel of nagenoeg geheel in Nederland is verdiend, en evenmin dat de echtgenoot van belanghebbende in dat jaar in België voldoende inkomen heeft genoten om de aftrek van het aan hem toerekenbare gedeelte van de hypotheekrente aldaar te kunnen vergelden.
4.3
Belanghebbende miskent dat het arrest Zurstrassen, evenals het arrest Schumacker [4] , berust op het uitgangspunt dat het in beginsel aan de woonstaat is om rekening te houden met de persoonlijke en gezinsomstandigheden van de belastingplichtige. Slechts in uitzonderingsgevallen is het aan de werkstaat om aftrek in verband met de persoonlijke en gezinssituatie te verlenen, en wel in die gevallen waarin de woonstaat met die aftrekposten geen rekening kan houden omdat het gezinsinkomen geheel of nagenoeg geheel in de werkstaat wordt verdiend. Aangezien het Hof heeft vastgesteld dat die situatie zich ten aanzien van belanghebbende en de echtgenoot niet voordoet, heeft het terecht geoordeeld dat belanghebbende zich niet met succes op deze arresten van het HvJ kan beroepen.
Hieraan kan niet afdoen dat, zoals in hoger beroep is betoogd, de Belgische belastingwetgeving niet toelaat dat de echtgenoot van belanghebbende de aan hem toerekenbare hypotheekrente in aftrek brengt. Hier is sprake van een dispariteit tussen de betrokken nationale belastingstelsels.
4.4
Het door de klacht bestreden oordeel van het Hof geeft daarom niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, en het is evenmin onbegrijpelijk. De klacht faalt, en gelet op het hiervoor overwogene ziet de Hoge Raad in die klacht geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
4.5
De overige klachten kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van de klachten is het in zoverre namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

5.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

6.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, M.T. Boerlage en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2021.

Voetnoten

3.HvJ 16 mei 2000, C-87/99, ECLI:EU:C:2000:251.
4.HvJ 14 februari 1995, C-279/93, ECLI:EU:C:1995:31.