Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde cassatiemiddel
3.Beoordeling van het vierde cassatiemiddel
4.Beslissing
12 oktober 2021.
Hoge Raad
In deze strafzaak tegen de verdachte, die werd veroordeeld voor medeplegen van gewoontewitwassen, heeft de Hoge Raad het cassatieberoep behandeld tegen het arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 5 april 2019.
De verdediging stelde meerdere cassatiemiddelen voor, waaronder klachten over bewijs en medeplegen, die door de Hoge Raad werden verworpen zonder nadere motivering, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Het vierde cassatiemiddel betrof de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, doordat de stukken te laat door het hof waren ingezonden. De Hoge Raad achtte deze klacht gegrond en stelde vast dat meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep.
Als gevolg daarvan vernietigde de Hoge Raad het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de strafmaat en verminderde de opgelegde gevangenisstraf van negen maanden naar acht maanden en twee weken, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd tot acht maanden en twee weken, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, wegens overschrijding van de redelijke termijn.