In deze zaak stond de vraag centraal of een garantieclausule in een overeenkomst betreffende de afname van hotelaccommodatie rechtsgeldig kon worden ingeroepen. Chagall Holding B.V. stelde zich op het standpunt dat het hof ten onrechte de geldigheid van deze garantie had bevestigd.
De procedure begon bij de rechtbank Den Haag met vonnissen in april 2017 en februari 2018, waarna het gerechtshof Den Haag op 2 juli 2019 een arrest wees. Chagall stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De Advocaat-Generaal adviseerde het cassatieberoep te verwerpen, waarop Chagall schriftelijk reageerde.
De Hoge Raad heeft de klachten van Chagall beoordeeld maar geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering van dit oordeel te geven, omdat de klachten geen vragen opriepen die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep verworpen en Chagall veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding, begroot op een bedrag van € 8.642,34. Het arrest is gewezen door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken door een vierde raadsheer op 29 januari 2021.