ECLI:NL:HR:2021:1502

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 oktober 2021
Publicatiedatum
11 oktober 2021
Zaaknummer
20/02102
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14c lid 2 SrArt. 14a SrArt. 246 SrArt. 248 lid 2 SrArt. 249 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging bijzondere voorwaarde toezicht bij minderjarigen wegens strijd met gedragsvereiste

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin verdachte werd veroordeeld voor feitelijke aanranding en ontucht met minderjarigen. Het hof legde een gevangenisstraf op met bijzondere voorwaarden, waaronder dat verdachte ervoor moet zorgen dat bij aanwezigheid met minderjarigen altijd een volwassene toezicht houdt die van zijn veroordeling op de hoogte is.

De advocaat-generaal adviseerde tot vernietiging van deze bijzondere voorwaarde, omdat deze niet uitsluitend het gedrag van de veroordeelde betreft, zoals vereist is op grond van artikel 14c lid 2 onder 14° Sr. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en oordeelde dat de voorwaarde onrechtmatig is omdat het niet onder alle omstandigheden afhankelijk is van het gedrag van de veroordeelde of hij zich in een ruimte met minderjarigen bevindt en of daarbij toezicht is.

De Hoge Raad vernietigde daarom de bijzondere voorwaarde zelf en wees het beroep voor het overige af. Hiermee werd de bijzondere voorwaarde geschrapt, maar bleef de rest van het vonnis in stand. De uitspraak benadrukt de strikte toepassing van gedragsvereisten bij bijzondere voorwaarden in de proeftijd.

De Hoge Raad wees op eerdere jurisprudentie (HR 2020:1215) waarin werd bevestigd dat bijzondere voorwaarden uitsluitend gedragsgericht moeten zijn. De zaak werd door de Hoge Raad zelf afgedaan, waarbij de bijzondere voorwaarde werd vernietigd en het beroep voor het overige werd verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigde de bijzondere voorwaarde betreffende toezicht bij aanwezigheid met minderjarigen en verwierp het beroep voor het overige.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer20/02102
Datum12 oktober 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 7 juli 2020, nummer 22-000500-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft B. Kizilocak, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de bijzondere voorwaarde ‘de verdachte zorgt ervoor dat wanneer hij in een ruimte is met minderjarigen, hierbij altijd toezicht is van een volwassene, die kennis draagt van de veroordeling van de veroordeelde’ en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat de door het hof opgelegde bijzondere voorwaarde: “de verdachte zorgt ervoor dat wanneer hij in een ruimte is met minderjarigen, hierbij altijd toezicht is van een volwassene, die kennis draagt van de veroordeling van de veroordeelde” in strijd met artikel 14c lid 2, onder 14°, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) niet uitsluitend het gedrag van de veroordeelde betreft.
3.2
Het hof heeft aan de verdachte een gevangenisstraf opgelegd van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Het hof heeft daarbij als bijzondere voorwaarden gesteld dat:
“- de verdachte verplicht is zich te melden bij Reclassering Nederland en zich te houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, zo lang en frequent als die reclasseringsinstelling dit noodzakelijk vindt;
- de verdachte zich gedurende de volledige proeftijd, of zoveel korter als de reclassering in overleg met de behandelaar verantwoord vindt, onder ambulante behandeling zal stellen van forensische polikliniek De Waag, dan wel een soortgelijke instelling, teneinde zich te laten behandelen voor zijn zedenproblematiek en zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de behandelaar zullen worden gegeven;
- de verdachte geen contact – direct noch indirect – opneemt met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ;
- de verdachte wordt verplicht zich gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering verantwoord vindt te houden aan de volgende gedragsbepalingen:
o (I) de verdachte zal zich inspannen om een dagbesteding te verkrijgen en te behouden en onthoudt zich van werkzaamheden, waarbij hij alleen met minderjarigen is;
o (II) de verdachte zorgt ervoor dat wanneer hij in een ruimte is met minderjarigen, hierbij altijd toezicht is van een volwassene, die kennis draagt van de veroordeling van de veroordeelde;
o (III) de verdachte werkt mee aan ambulante woonbegeleiding of begeleid wonen indien en zolang de reclassering dat nodig acht.
Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.”
3.3.1
Artikel 14c lid 2 Sr luidt, voor zover van belang:
“2. Bij toepassing van artikel 14a kunnen voorts de volgende bijzondere voorwaarden worden gesteld, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd, of een bij de veroordeling te bepalen gedeelte daarvan, dan wel binnen een door de rechter te bepalen termijn, ten hoogste gelijk aan de proeftijd, heeft te voldoen:
(...)
14° andere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende.”
3.3.2
Een bijzondere voorwaarde als bedoeld in artikel 14c lid 2, onder 14°, Sr dient het gedrag van de veroordeelde te betreffen. Als zodanig kunnen worden aangemerkt voorwaarden die strekken ter bevordering van een goed levensgedrag van de veroordeelde of die een gedraging betreffen waartoe hij uit een oogpunt van maatschappelijke betamelijkheid gehouden moet worden geacht (vgl. HR 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1215).
3.4
De door het hof gestelde bijzondere voorwaarde: “de verdachte zorgt ervoor dat wanneer hij in een ruimte is met minderjarigen, hierbij altijd toezicht is van een volwassene, die kennis draagt van de veroordeling van de veroordeelde” is in strijd met genoemde bepaling omdat het niet onder alle omstandigheden afhankelijk is van het gedrag van de veroordeelde of hij zich in een ruimte met minderjarigen zal bevinden en of hierbij een volwassene aanwezig zal zijn die toezicht houdt en bovendien kennis draagt van de veroordeling van de veroordeelde.
3.5
Het cassatiemiddel slaagt. De Hoge Raad zal zelf de zaak afdoen en de bijzondere voorwaarde vernietigen.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de daarin gestelde bijzondere voorwaarde: “de verdachte zorgt ervoor dat wanneer hij in een ruimte is met minderjarigen, hierbij altijd toezicht is van een volwassene, die kennis draagt van de veroordeling van de veroordeelde”;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
12 oktober 2021.