Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
12 oktober 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin verdachte werd veroordeeld voor feitelijke aanranding en ontucht met minderjarigen. Het hof legde een gevangenisstraf op met bijzondere voorwaarden, waaronder dat verdachte ervoor moet zorgen dat bij aanwezigheid met minderjarigen altijd een volwassene toezicht houdt die van zijn veroordeling op de hoogte is.
De advocaat-generaal adviseerde tot vernietiging van deze bijzondere voorwaarde, omdat deze niet uitsluitend het gedrag van de veroordeelde betreft, zoals vereist is op grond van artikel 14c lid 2 onder 14° Sr. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en oordeelde dat de voorwaarde onrechtmatig is omdat het niet onder alle omstandigheden afhankelijk is van het gedrag van de veroordeelde of hij zich in een ruimte met minderjarigen bevindt en of daarbij toezicht is.
De Hoge Raad vernietigde daarom de bijzondere voorwaarde zelf en wees het beroep voor het overige af. Hiermee werd de bijzondere voorwaarde geschrapt, maar bleef de rest van het vonnis in stand. De uitspraak benadrukt de strikte toepassing van gedragsvereisten bij bijzondere voorwaarden in de proeftijd.
De Hoge Raad wees op eerdere jurisprudentie (HR 2020:1215) waarin werd bevestigd dat bijzondere voorwaarden uitsluitend gedragsgericht moeten zijn. De zaak werd door de Hoge Raad zelf afgedaan, waarbij de bijzondere voorwaarde werd vernietigd en het beroep voor het overige werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigde de bijzondere voorwaarde betreffende toezicht bij aanwezigheid met minderjarigen en verwierp het beroep voor het overige.