ECLI:NL:HR:2021:1507

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 oktober 2021
Publicatiedatum
12 oktober 2021
Zaaknummer
19/05291
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 231 SrArt. 1 Wet op de identificatieplichtArt. 2 PaspoortwetArt. 225 SrArt. 326 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest over voorhanden hebben vals Iraaks identiteitsbewijs wegens onjuiste kwalificatie

De zaak betreft het bezit van een valse Iraakse identiteitskaart door de verdachte, ten laste gelegd onder artikel 231 Sr Pro. Het hof Amsterdam had geoordeeld dat de Iraakse identiteitskaart als een identiteitsbewijs in de zin van artikel 231 Sr Pro kon worden aangemerkt. De Hoge Raad stelt dat dit oordeel niet begrijpelijk is, omdat de Iraakse identiteitskaart niet dezelfde functie heeft als een identiteitskaart van een EU-lidstaat die als reisdocument geldt.

De Hoge Raad baseert zich op de wetsgeschiedenis en de relevante bepalingen uit het Wetboek van Strafrecht, de Wet op de identificatieplicht en de Paspoortwet. Hieruit volgt dat alleen bepaalde documenten, zoals Nederlandse of EU-identiteitskaarten en reisdocumenten, onder artikel 231 Sr Pro vallen. De Iraakse kaart valt daar niet onder.

Daarnaast merkt de Hoge Raad op dat het hof ten onrechte uitspraak heeft gedaan zonder de griffier aanwezig te hebben. Gelet op deze fouten vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het hof Amsterdam voor een nieuwe berechting en beslissing.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer19/05291
Datum12 oktober 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 11 november 2019, nummer 23-002733-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft L.E.G. van der Hut, advocaat te ’s-Gravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De raadsvrouw van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat de in de bewezenverklaring vermelde Iraakse identiteitskaart een ‘identiteitsbewijs’ is in de zin van artikel 231 van Pro het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).
2.2
Ten laste van de verdachte is overeenkomstig de tenlastelegging bewezenverklaard dat:
“zij op 19 december 2017 te Alkmaar een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht, te weten een Iraakse identiteitskaart met nummer [001] met tenaamgestelde [verdachte] , waarvan zij, verdachte, wist dat deze vals was, voorhanden heeft gehad.”
2.3.1
Het tenlastegelegde is toegesneden op artikel 231 Sr Pro. Daarom moet worden aangenomen dat het in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende begrip ‘identiteitsbewijs’ is gebruikt in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in die bepaling.
2.3.2
Bij de beoordeling van het cassatiemiddel zijn de volgende bepalingen van belang:
- artikel 231 lid 1 en Pro 2 Sr:
“1. Hij die een reisdocument, een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht of een ander identiteitsbewijs dat afgegeven is door een dienst of organisatie van vitaal of nationaal belang, valselijk opmaakt of vervalst, of een zodanig geschrift op grond van valse persoonsgegevens doet verstrekken dan wel een zodanig geschrift dat aan hem of een ander verstrekt is, ter beschikking stelt van een derde met het oogmerk het door deze te doen gebruiken als ware het aan hem verstrekt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die een reisdocument of een identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid aflevert of voorhanden heeft waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat het vals of vervalst is, dan wel opzettelijk gebruik maakt van een vals of vervalst reisdocument of identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk en wederrechtelijk gebruik maakt van een bij het bevoegd gezag als vermist opgegeven of een niet op zijn naam gesteld reisdocument of identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid.”
- artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht:
“1. Als documenten waarmee in bij de wet aangewezen gevallen de identiteit van personen kan worden vastgesteld, worden aangewezen:
1°. een geldig reisdocument als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, b, c, d, e en g, of een Nederlandse identiteitskaart en vervangende Nederlandse identiteitskaart als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Paspoortwet;
2°. de documenten waarover een vreemdeling ingevolge de Vreemdelingenwet 2000 moet beschikken ter vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie;
3°. een geldig nationaal, diplomatiek of dienstpaspoort dat is afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, voor zover de houder de nationaliteit van die andere lidstaat bezit;
4°. een geldig rijbewijs dat is afgegeven op basis van de Wegenverkeerswet, een geldig rijbewijs als bedoeld in artikel 107 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 of een rijbewijs dat is afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, waarvan de houder in Nederland woonachtig is, zolang de bij de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde termijn van geldigheid in Nederland niet is verstreken, aan de houder geen administratieve maatregel bedoeld in paragraaf 9 van hoofdstuk VI van de Wegenverkeerswet 1994 s opgelegd of aan hem niet de bijkomende straf bedoeld in artikel 179 van Pro die wet is opgelegd en mits het rijbewijs is voorzien van een pasfoto van de houder.
2. Onze Minister van Veiligheid en Justitie kan, al dan niet voor een bepaald tijdvak, andere dan de in het eerste lid bedoelde documenten aanwijzen ter vaststelling van de identiteit van personen.”
- artikel 2 lid 1 en Pro 2 van de Paspoortwet:
“1. Reisdocumenten van het Koninkrijk der Nederlanden zijn:
a. nationaal paspoort;
b. diplomatiek paspoort;
c. dienstpaspoort;
d. reisdocument voor vluchtelingen;
e. reisdocument voor vreemdelingen;
f. nooddocument: laissez-passer of noodpaspoort;
g. andere reisdocumenten, bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur vast te stellen.
2. Identiteitskaarten van het Europese deel van Nederland zijn de Nederlandse identiteitskaart en de vervangende Nederlandse identiteitskaart. Hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald ten aanzien van reisdocumenten is van overeenkomstige toepassing op de Nederlandse identiteitskaart en de vervangende Nederlandse identiteitskaart, tenzij anders is bepaald.”
2.3.3
Bij de Wet van 12 maart 2014 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de verbetering van de aanpak van fraude met identiteitsbewijzen en wijziging van het Wetboek van Strafvordering, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen en de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden in verband met de verbetering van de regeling van de identiteitsvaststelling van verdachten en veroordeelden, Stb. 2014, 125, is onder meer in artikel 231 lid 1 Sr Pro de term ‘Nederlandse identiteitskaart’ vervangen door ‘identiteitsbewijs’.
De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat tot die wet heeft geleid houdt onder meer het volgende in:
“Zoals in paragraaf 3.1 van deze memorie van toelichting uiteengezet is, is in dit wetsvoorstel – bij artikel I, onder B – geregeld dat artikel 231 Sr Pro ook voor andere identiteitsbewijzen dan reisdocumenten geldt. In het wetsvoorstel dat in concept aan de in paragraaf 2 genoemde instanties voor advies is voorgelegd, was ervoor gekozen om de identiteitsbewijzen die aan de werking van artikel 231 Sr Pro onderworpen zouden zijn, niet te omschrijven. (...) De adviezen van de Raad voor de rechtspraak en het College van procureurs-generaal hebben voor mij echter aanleiding gevormd om de identiteitsbewijzen die onder de reikwijdte van artikel 231 Sr Pro vallen te omschrijven en te beperken. (...) Het betreft hier de identiteitsbewijzen uit de Wet op de identificatieplicht en andere identiteitsbewijzen die afgegeven zijn door diensten of organisaties van vitaal of nationaal belang. Bij deze laatste categorie identiteitsbewijzen kan worden gedacht aan de pas die toegang geeft tot de Staten-Generaal, een vliegveld of een kerncentrale en die binnen die organisatie tevens de functie van identiteitsbewijs heeft. Een ander voorbeeld van een dergelijk identiteitsbewijs is de pas waarmee een politiefunctionaris zich ten opzichte van een burger of binnen de politieorganisatie legitimeert.
(...)
Fraude met de niet-erkende identiteitsbewijzen die niet onder de werkingssfeer van artikel 231 Sr Pro zijn gebracht, kan naar huidig recht worden aangepakt met behulp artikel 225 Sr Pro of artikel 326 Sr Pro.”
Kamerstukken II 2011-12, 33 352, nr. 3, p. 14-15.
2.4
Het oordeel van het hof dat de in de bewezenverklaring vermelde identiteitskaart kan worden aangemerkt als een ‘identiteitsbewijs’ als bedoeld in artikel 231 Sr Pro is, gelet op het hiervoor weergegeven samenstel van bepalingen en de weergegeven wetsgeschiedenis, niet begrijpelijk.
2.5
Het cassatiemiddel klaagt daarover terecht.
2.6
Opmerking verdient dat zich hier niet voordoet de situatie die aan de orde was in het arrest van de Hoge Raad van 17 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:451. In die zaak ging het om een (valse) identiteitskaart van een lidstaat van de Europese Unie, die – gelet op Richtlijn 2004/38/EG – de functie had de houder ervan het reizen van en naar andere landen, alsmede zijn verblijf daar, te vergemakkelijken en daarom als ‘reisdocument’ gold. In de onderhavige zaak volgt uit de – in de conclusie van de advocaat-generaal onder 7 weergegeven – overwegingen van het hof niet dat de Iraakse identiteitskaart eenzelfde functie heeft.

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het cassatiemiddel niet nodig.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
12 oktober 2021.