ECLI:NL:HR:2021:1514
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht
Belanghebbende, een B.V., had beroep in cassatie ingesteld tegen uitspraken van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant en het verzet tegen een eerdere uitspraak. De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van dit beroep, waarbij belanghebbende een beroep op betalingsonmacht deed om het griffierecht niet te hoeven betalen.
De griffier van de Hoge Raad gaf belanghebbende meerdere malen de gelegenheid om betalingsonmacht aan te tonen, zowel voor haarzelf als voor haar bestuurder en aandeelhouder(s), maar de gevraagde stukken werden niet overgelegd. Vervolgens werd de heffing van het griffierecht voortgezet en werd belanghebbende schriftelijk en digitaal gewezen op de verschuldigdheid en het bedrag van het griffierecht.
Ondanks herhaalde aanmaningen werd het griffierecht niet volledig voldaan. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde redenen geen grond vormen om het verzuim te rechtvaardigen. Daarom werd het beroep in cassatie op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb niet-ontvankelijk verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep in cassatie werd niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht en het ontbreken van bewijs van betalingsonmacht.