De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie van D.A.N. Bartels tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van 28 april 2021 beoordeeld. Het beroepschrift was namens een partij uit [Z] ingediend, maar het griffierecht is niet voldaan ondanks dat de indiener hiervan op de hoogte is gesteld.
De griffier van de Hoge Raad heeft de indiener bij aangetekende brieven gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en een termijn van vier weken gesteld voor betaling. Deze brieven zijn afgehaald, maar betaling bleef uit. Ook is de gelegenheid om een verklaring te geven voor het niet betalen niet benut.
Op grond van artikel 8:41, lid 6, van de Algemene wet bestuursrecht is het beroep in cassatie daarom niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen. Het arrest is uitgesproken op 15 oktober 2021 door de vice-president en twee raadsheren.