Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
19 oktober 2021.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof veroordeeld voor het rijden tijdens een ontzegging van de rijbevoegdheid en het rijden met een ongeldig rijbewijs. Het hof legde een gevangenisstraf van acht weken op, waarvan vier weken voorwaardelijk. In cassatie werd aangevoerd dat het hof niet in het bijzonder de redenen had vermeld die tot de oplegging van de vrijheidsbenemende straf hadden geleid, zoals vereist door artikel 359 lid 6 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
De Hoge Raad oordeelde dat de strafmotivering niet voldeed aan de wettelijke eisen, omdat het hof niet duidelijk had gemaakt waarom een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming werd opgelegd. Dit gebrek aan motivering leidt volgens artikel 359 lid 8 Sv Pro tot nietigheid van het strafopleggingsdeel van het arrest.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en verwees de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag voor een nieuwe beoordeling en beslissing over de straf. Het beroep werd voor het overige verworpen. De uitspraak werd gedaan op 19 oktober 2021 door de Strafkamer van de Hoge Raad.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd vanwege onvoldoende motivering van de vrijheidsbenemende straf en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe berechting.