In deze zaak heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie van [X] B.V. tegen een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam beoordeeld. Het beroep in cassatie was ingesteld door D.A.N. Bartels te Utrecht namens de vennootschap. De griffier van de Hoge Raad heeft de indiener van het beroepschrift bij aangetekende brief gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en een termijn van vier weken gesteld voor betaling.
De aanmaning is door de indiener opgehaald, maar het griffierecht is niet voldaan. Vervolgens is een tweede aangetekende brief gestuurd waarin de indiener in de gelegenheid werd gesteld om te verklaren waarom het griffierecht niet was betaald. Ook deze brief is opgehaald, maar er is geen reactie ontvangen.
Op grond van artikel 8:41, lid 6, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) leidt het niet voldoen van het griffierecht tot niet-ontvankelijkheid van het beroep in cassatie. De Hoge Raad heeft daarom het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Het arrest is op 15 oktober 2021 door de vice-president en twee raadsheren gewezen en in het openbaar uitgesproken.