Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.Beoordeling van de aanvraag
4.Beslissing
19 oktober 2021.
Hoge Raad
De aanvrager is door het gerechtshof veroordeeld tot vijf maanden gevangenisstraf voor medeplegen van het telen van ongeveer 795 hennepplanten, een grote hoeveelheid volgens artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet.
De aanvraag tot herziening steunt op een anonieme brief die stelt dat de aanvrager zelden of nooit bij de loods was waar de hennepkwekerij was aangetroffen en dus niet kon weten wat daar gebeurde. De brief noemt ook twee personen die dit georganiseerd zouden hebben.
De Hoge Raad beoordeelt dat een herzieningsverzoek alleen kan slagen indien het nieuwe gegeven, dat bij het onderzoek niet bekend was, een ernstig vermoeden wekt dat het onderzoek tot vrijspraak, ontslag van rechtsvervolging, niet-ontvankelijkheid of een lichtere straf had geleid.
De authenticiteit en juistheid van de anonieme brief zijn onvoldoende onderbouwd en niet controleerbaar, mede omdat de identiteit en kennisbasis van de afzender onbekend zijn. Daarom wekt de brief geen ernstig vermoeden en is de aanvraag kennelijk ongegrond.
De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af, waarmee het arrest van het gerechtshof in stand blijft.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het verzoek tot herziening af wegens onvoldoende onderbouwing van het aangevoerde novum.