Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het vijfde cassatiemiddel
3.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
4.Beslissing
2 februari 2021.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin de betrokkene werd veroordeeld tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van € 212.790, voortvloeiend uit bewezenverklaard witwassen.
Het hof baseerde zijn oordeel op het vonnis van de rechtbank waarin werd vastgesteld dat de betrokkene gedurende de periode 2007-2010 een bedrag van € 212.790 aan geldmiddelen had verworven, waarvan was bewezen dat deze afkomstig waren uit enig misdrijf. Het hof achtte dit bedrag gelijk aan het wederrechtelijk verkregen voordeel, mede omdat de betrokkene vrijelijk over het geld kon beschikken.
De Hoge Raad oordeelt echter dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat het in de bewezenverklaring genoemde bedrag automatisch het wederrechtelijk verkregen voordeel vormt. Zonder nadere motivering is niet begrijpelijk dat de betrokkene daadwerkelijk tot dat bedrag voordeel heeft genoten. De enkele omstandigheid dat de betrokkene vrijelijk over het geld kon beschikken, is onvoldoende als motivering.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug aan het hof voor een nieuwe berechting en beslissing. De overige cassatiemiddelen behoeven geen bespreking vanwege deze beslissing.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof wegens onvoldoende motivering en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting.