ECLI:NL:HR:2021:1550

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 oktober 2021
Publicatiedatum
15 oktober 2021
Zaaknummer
21/03106
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 317 lid 1 SrArt. 416 SrArt. 321 SrArt. 5 WVW 1994Art. 457 lid 1 sub c Sv
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag tot herziening wegens onjuiste interpretatie minder zware strafbepaling

De zaak betreft een aanvraag tot herziening van een onherroepelijk arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden uit 2016, waarin de aanvrager is veroordeeld voor afpersing, opzetheling, meermalige verduistering en een overtreding van de Wegenverkeerswet 1994. Het hof legde een gevangenisstraf van dertig maanden op, inclusief terbeschikkingstelling met dwangverpleging, en een ontzegging van de rijbevoegdheid.

De aanvrager verzocht om herziening op grond van twee deskundigenrapporten die na het onherroepelijk worden van het arrest waren opgesteld. Hij stelde dat het hof bij kennis van deze rapporten geen TBS met dwangverpleging zou hebben opgelegd, wat volgens hem een minder zware strafbepaling zou zijn in de zin van artikel 457 lid 1 sub c Sv Pro.

De Hoge Raad oordeelt dat onder een minder zware strafbepaling moet worden verstaan een strafbepaling die een minder zware straf bedreigt, en niet het opleggen van een andere sanctie of het achterwege laten daarvan. De aangevoerde deskundigenrapporten kunnen daarom niet als novum worden aangemerkt dat tot herziening kan leiden. De aanvraag wordt dan ook kennelijk ongegrond verklaard en afgewezen.

De uitspraak benadrukt de strikte interpretatie van de voorwaarden voor herziening en bevestigt dat alleen feiten of omstandigheden die leiden tot een minder zware strafbepaling in de wettelijke zin een grond kunnen vormen voor herziening.

Uitkomst: De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af wegens onjuiste interpretatie van het begrip minder zware strafbepaling.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer21/03106 H
Datum19 oktober 2021
ARREST
op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 juni 2016, nummer 21-006712-15, ingediend door K.C.A.M. Oomen, advocaat te Breda,
namens
[aanvrager] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,
hierna: de aanvrager.

1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

Het hof heeft de aanvrager veroordeeld voor (feit 1) afpersing, (feit 2) opzetheling, (feit 3) verduistering, meermalen gepleegd, en (feit 6) overtreding van artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994. Het hof heeft de aanvrager voor de feiten 1, 2 en 3 een gevangenisstraf van dertig maanden opgelegd, gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en bevolen dat hij van overheidswege zal worden verpleegd. Ter zake van feit 6 heeft het hof de aanvrager de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen ontzegd voor de duur van twee jaren.

2.De aanvraag tot herziening

De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3.Beoordeling van de aanvraag

3.1
Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, volgens artikel 457 lid Pro 1, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) alleen dienen een met stukken onderbouwd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.
3.2
In de aanvraag wordt aangevoerd dat het hof geen terbeschikkingstelling met dwangverpleging zou hebben opgelegd indien het bekend was geweest met twee (na het onherroepelijk worden van zijn arrest opgemaakte) deskundigenrapporten omtrent de persoon van de aanvrager. In de aanvraag wordt echter miskend dat onder "een minder zware strafbepaling" in de zin van artikel 457 lid Pro 1, aanhef en onder c, Sv moet worden verstaan een strafbepaling die een minder zware straf bedreigt. De oplegging door de rechter van een andere (minder zware) sanctie of het achterwege laten van de oplegging van een sanctie valt daar niet onder.
3.3
De aanvraag is, gelet op wat hiervoor is overwogen, kennelijk ongegrond.

4.Beslissing

De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
19 oktober 2021.