Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
4.Beslissing
2 november 2021.
Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor het meermalen beledigen van ambtenaren tijdens de rechtmatige uitoefening van hun bediening en voor wederspannigheid waarbij enig lichamelijk letsel werd toegebracht. Het hof kwalificeerde de gedragingen als eenvoudige belediging gericht aan ambtenaren en als wederspannigheid met letsel.
In cassatie stelde de verdachte onder meer dat de beledigende woorden “arrogante kankerlijer” niet gericht waren aan een specifieke verbalisant, waardoor de bewezenverklaring onjuist zou zijn. De Hoge Raad liet deze klacht in het midden omdat, zelfs als deze gegrond zou zijn, dit niet zou leiden tot cassatie wegens gebrek aan belang; de ernst van het bewezenverklaarde zou immers niet worden aangetast.
De advocaat-generaal had geconcludeerd tot vernietiging van het arrest van het hof en terugwijzing van de zaak voor hernieuwde berechting, maar de Hoge Raad volgde dit niet en verwierp het cassatieberoep. De veroordeling tot een geheel voorwaardelijke geldboete van € 500 met een proeftijd van één jaar blijft daarmee in stand.
De Hoge Raad motiveerde de afwijzing van overige klachten niet, omdat deze niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 2 november 2021.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling tot een geheel voorwaardelijke geldboete van € 500 met een proeftijd van één jaar.