ECLI:NL:HR:2021:164

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 februari 2021
Publicatiedatum
29 januari 2021
Zaaknummer
20/00800
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Nietig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 lid 7 Wegenverkeerswet 1994Art. 359 lid 6 SvArt. 359 lid 8 Sv
Verwijzingen
7 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onvoldoende strafmotivering bij rijbewijsinbreuk

De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier weken, waarvan twee weken voorwaardelijk, wegens het rijden zonder geldig rijbewijs terwijl het rijbewijs was ingevorderd en geschorst. De verdachte voerde lichamelijke klachten en begeleiding door een organisatie voor licht verstandelijke beperking aan als verzachtende omstandigheden.

Het hof motiveerde de strafoplegging voornamelijk op basis van de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en diens eerdere veroordelingen voor soortgelijke feiten. De Hoge Raad oordeelde echter dat het hof niet specifiek had aangegeven welke redenen tot de keuze van een vrijheidsbenemende straf hadden geleid, zoals vereist volgens artikel 359 lid 6 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

Dit gebrek aan motivering leidt volgens artikel 359 lid 8 Sv Pro tot nietigheid van het vonnis voor zover het de strafoplegging betreft. De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof uitsluitend op dat punt en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling en beslissing over de strafoplegging. Het overige cassatieberoep werd verworpen.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering van de vrijheidsbenemende straf en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer20/00800
Datum9 februari 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 20 februari 2020, nummer 23-002127-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof in strijd met artikel 359 lid 6 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) in zijn uitspraak niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven die hebben geleid tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf.
2.2
Het hof heeft de verdachte wegens overtreding van artikel 9 lid 7 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier weken, waarvan twee weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Het hof heeft de strafoplegging als volgt gemotiveerd:
“De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde vrijgesproken.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier weken waarvan twee weken voorwaardelijk en met een proeftijd van twee jaren.
De raadsman heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de verdachte veel fysieke klachten heeft en in behandeling is bij een neuroloog. De verdachte wordt daarnaast begeleid door Florijn, een organisatie voor mensen met een licht verstandelijke beperking. Gelet hierop is de eis van de advocaat-generaal volgens de raadsman niet passend.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft een auto bestuurd terwijl een ingevorderd en voor alle categorieën geschorst rijbewijs niet aan hem was teruggegeven. Hij heeft daarmee getoond zich niets aan te trekken van door het bevoegd gezag genomen beslissingen.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 29 januari 2020 is hij eerder ter zake van verkeersgerelateerde strafbare feiten onherroepelijk veroordeeld, in het bijzonder voor het rijden in een motorrijtuig terwijl zijn rijbewijs was ingevorderd, hetgeen sterk in zijn nadeel weegt. Die eerdere veroordelingen hebben hem er kennelijk ook nu niet van weerhouden zich (de Hoge Raad leest: niet) aan de regels te houden.
Op grond van het vorenstaande acht het hof de door de advocaat-generaal gevorderde straf passend en geboden. In de persoonlijke omstandigheden van de verdachte ziet het hof geen aanleiding om tot een andere of lagere straf te komen.”
2.3
Deze overwegingen bevatten geen opgave van de redenen die in het bijzonder hebben geleid tot de keuze van het opleggen van een vrijheidsbenemende straf. Dat is in strijd met het zesde lid van artikel 359 Sv Pro. Dat verzuim leidt op grond van artikel 359 lid 8 Sv Pro tot nietigheid (vgl. HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2191).
2.4
Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
9 februari 2021.