Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
9 februari 2021.
Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier weken, waarvan twee weken voorwaardelijk, wegens het rijden zonder geldig rijbewijs terwijl het rijbewijs was ingevorderd en geschorst. De verdachte voerde lichamelijke klachten en begeleiding door een organisatie voor licht verstandelijke beperking aan als verzachtende omstandigheden.
Het hof motiveerde de strafoplegging voornamelijk op basis van de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en diens eerdere veroordelingen voor soortgelijke feiten. De Hoge Raad oordeelde echter dat het hof niet specifiek had aangegeven welke redenen tot de keuze van een vrijheidsbenemende straf hadden geleid, zoals vereist volgens artikel 359 lid 6 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Dit gebrek aan motivering leidt volgens artikel 359 lid 8 Sv Pro tot nietigheid van het vonnis voor zover het de strafoplegging betreft. De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof uitsluitend op dat punt en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling en beslissing over de strafoplegging. Het overige cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering van de vrijheidsbenemende straf en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.